Offline: recht voor allen of luxe voor the happy few?

We worden in allerlei media aangemoedigd om te unpluggen, te detoxen, te disconnecten. “Volg deze vijf tips op en je bent weer verzekerd van betere on/offline balans.” Wat we daarmee uit het oog verliezen is dat de aandachtseconomie die ten grondslag ligt aan de aandachtsverslindende apps op je smartphone precies dát is wat het woord al zegt: een economisch principe. Willen we dus echt doordringen tot de kern waarom we nu zo’n slechte relatie hebben met onze telefoon, dan is het niet genoeg om te blijven steken op technologisch – laat staan individueel – niveau, maar moet je je gaan begeven in het politieke en economische domein. Maar om het leuk te houden, gooi ik er wel een lekker donutje voor je in.  

The right to disconnect

We gaan weer met z’n allen er even lekker tussenuit tijdens de zomervakantie, maar wees eens eerlijk: ben jij écht weg of check je toch stiekem je werkmail?
Op 1 januari nam Frankrijk een wet aan die bedrijven met meer dan 50 werknemers verplicht om een ‘disconnection’ beleid te hebben rondom communicatie na werkuren en in vakanties. Het was het eerste land dat zoiets in regelgeving vastlegde. Er zijn echter al voorbeelden bekend van bedrijven die het recht op niet bereikbaar hoeven te zijn al vastlegden in hun bedrijfspolicy. Maar zoals ik me in m’n nieuwsbrief over dit onderwerp al afvroeg: is dit wel aan landen om dit als recht vast te leggen? Hoort dit thuis in het politieke domein? En zo ja: Benadeel je door the right to disconnect vast te leggen voor een paar groeperingen niet onbedoeld andere mensen?

Alleen happy few kunnen zich ‘offline’ veroorloven

Tech-criticus Evgeny Morozov heeft het recht om offline te kunnen zijn ook niet erg hoog zitten. Hij vindt dat ‘the right to disconnect’ nu op twee manieren veel te beperkt bekeken wordt, waardoor de verkeerde groepen verliezen.
Allereerst schrijft hij dat ‘the right to disconnect’ dat zich toespitst op (email)communicatie vanuit je baan weinig zin heeft als de meest verslavende bedrijven zoals Facebook en Instagram gewoon door mogen gaan met hun praktijken om te verdienen aan je aandacht. In plaats van dat we dan wat van onze aandacht terugwinnen, verschuift het dan gewoon van werk-email naar nog meer social media. Winnaars: social media. Verliezers: wij en onze werkgevers.
[….] What do we really gain if we win the right not to check our work-related email only to squander it on clicking, half-mesmerised, that “update” button on Facebook or Twitter? One set of companies – our formal employers – stand to lose, as they can’t expect us to be always available; another set of companies, though, our informal employers – the likes of Facebook and Twitter – stand to gain, as we gladly furnish them with valuable data that propels their growth.
De tweede manier waarop we ‘the right to disconnect’ te beperkt opvatten is dat het nu vooral in de context van de traditionele baan wordt bekeken. En constante bereikbaarheid is juist de sleutel voor veel beroepen uit de sharing economy. Even niet bereikbaar? Geen werk, geen inkomsten. Lees bijvoorbeeld dit stuk van vriendin Yuki Kho voor Vrij Nederland die werkte als Foodora koerier om erachter te komen hoe het is om voor een algoritme te werken
En dus ziet Morozov ‘the right to disconnect’ vooral als een bescherming voor de mensen die het eigenlijk niet (of in elk geval minder) nodig hebben: de mensen die al een (vast) arbeidscontract bij een bedrijf hebben. Verliezers: de ‘sharing economy’ werknemers.
Hence the paradox: the gig workers need no right to disconnect as no one is forcing them to work – and yet the dynamics of the platform are such that meaningful disconnection is made almost structurally impossible. […]
Thus we end up in the odd situation where well-protected regular jobs acquire extra benefits like “the right to disconnect”, while the unprotected, precarious jobs in the gig economy keep expanding – mostly by violating this very right as often as possible.
We moeten onze discussie over een offline/online balans dus vooral in een breder perspectief bekijken. Niet alleen het plaatsen bij de wilskracht, of skills van een individu, maar het zien als een maatschappelijk probleem, dat ook raakt aan de manier waarop nu onze economie is ingericht.
To be truly meaningful, the right to disconnect needs to be tied to a much broader, radical vision of how a data-rich society can retain some basic elements of equality and justice. In the absence of such a vision, this right will only protect those who are already well-off, forcing the rest to seek solutions – like mindfulness apps – in the marketplace.

Digitale detox is een politiek, niet individueel probleem

De reden waarom we bovenstaande nuancering missen – de politieke dimensie van digitale detox – zit ’m deels in de taal die de tegenbeweging hanteert. Unpluggen, digitale detox, disconnecten: deze principes richten zich vooral op het individu dat actie moet ondernemen, eventueel ook op sociaal vlak. We moeten af van deze ‘gemedicaliseerde’ taal, vindt Morozov, om echt slagkracht te krijgen:
But couldn’t the “disconnectionists”—as one critic has recently dubbed this emerging social movement—pursue an agenda a tad more radical than “digital detoxification”? For one, the language of “detox” implies our incessant craving for permanent connectivity is a medical condition—as if the fault entirely resided with consumers. And that reflects a broader flaw in their thinking: The disconnectionists don’t seem to have a robust political plan for addressing their concerns; it’s all about small-scale individual action. […]
In other words, why we disconnect matters: We can continue in today’s mode of treating disconnection as a way to recharge and regain productivity, or we can view it as a way to sabotage the addiction tactics of the acceleration-distraction complex that is Silicon Valley.

Denk meer in donuts in plaats van groei

Waar Morozov de ongelijkheid nog koppelt aan de sharing economy, schreef ik al eerder over Douglas Rushkoff die de oorzaak van de aandachtseconomie zoekt in het economisch model dat nu de boventoon voert: de groei-economie.
En we begaan een enorme fout als we de schuld van dit oogsten van aandacht proberen op te lossen door de bad guy – technologie – uit ons leven te bannen. Dan mis je compleet het punt, namelijk dat deze economische principes al eeuwenlang bestaan, lang voor het ontstaan van je smartphone, email of internet.
De vraag die we onszelf moeten stellen is dan ook niet ‘hoe komen we af van onze digitale verslaving?’ maar: ‘hoe kun je een samenleving bouwen op niet-groei of prestatie geïndiceerde normen en waarden?’. En: ‘hoe gaan we onze zingeving inrichten als dat niet gebaseerd is op groei?’. Hier vind je m’n complete nieuwsbrief erover.
Een alternatief voor de groei-economie zou je kunnen vinden in de donut-economie van Kate Raworth. In haar op 6 april verschenen boek ‘Doughnut economics’ stelt ze dat de huidige economie is gebaseerd op een aantal rigide ideeën die niet alleen geen recht doen aan de huidige dynamiek van de genetwerkte wereld, maar ook nog eens ervoor zorgen dat we stuurloos – zonder menselijke waarden- alleen richting oneindige groei aan het rennen zijn.
Als we over economie praten dan hebben we het vooral een paar smalle begrippen. In de woorden van Ewald Engelen: over het bruto binnenlands product (bbp); de aanname van de individualistische economische actor, homo economicus genaamd; het idee van de eigenstandige, op zichzelf staande markt; het mechanische marktevenwicht; de omgekeerde U-curves van ongelijkheid en verduurzaming (hoe rijker, hoe gelijker en schoner); en de illusie van exponentiële groei.
Deze begrippen bepalen wat wij onder economie scharen, wat zichtbaar is binnen deze kaders en wat onzichtbaar:
The central image in mainstream economics is the circular flow diagram. It depicts a closed flow of income cycling between households, businesses, banks, government and trade, operating in a social and ecological vacuum. Energy, materials, the natural world, human society, power, the wealth we hold in common … all are missing from the model. The unpaid work of carers – principally women – is ignored, though no economy could function without them. Like rational economic man, this representation of economic activity bears little relationship to reality.
Volgens Raworth is het dan ook de hoogste tijd om dit foutieve gatenkaasmodel van economie – en daarmee ook van ons mensen – bij te stellen. Hoe we dat moeten doen? Door economie weer richting te geven, haar niet langer waardenvrij te laten, maar een maatstaf en instrument te laten zijn voor wat wij als een goed leven beschouwen.
The aim of economic activity, she argues, should be “meeting the needs of all within the means of the planet”. Instead of economies that need to grow, whether or not they make us thrive, we need economies that “make us thrive, whether or not they grow”. This means changing our picture of what the economy is and how it works.
Als alternatief stelt Raworth dan ook de donut voor:

Deze donut – het groene gedeelte –  bestaat uit twee ruimtes of ringen. De ruimte aan de binnenkant representeert alle dingen die we nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden. Van voedsel, een dak boven je hoofd tot zaken als onderwijs, democratie en gendergelijkheid – de complete Maslowpiramide. Aan de buitenkant van de donut neemt Raworth de capaciteit van de aarde op. En zo zie je een groene veilige ruimte ontstaan – de “ecologically safe and socially just space” – waar economie binnen zou moeten blijven.
Of je het nu eens bent met de idealistische invulling van Raworth, het is in elk geval interessant dat ze de vraag opwerpt waarom we eigenlijk zo’n beperkte invulling geven aan het begrip economie en daarin allerlei factoren buiten beschouwing laten, waarom het niet volgens menselijke maatstaven is ingericht en waarom het losstaat van menselijke waarden.
De donuteconomie is food for thought, ook zeker binnen het denken over de aandachtseconomie.