We hebben een offline fetisj

Deze week wil ik het hebben over onze obsessie met het vinden van een goede online/offline balans en hoe dat eigenlijk ****shit is. Tenminste, de terminologie die we daarvoor gebruiken en het disconnectgedrag dat daaruit voortvloeit – niet het verlangen an sich. Om tot de echte oplossingen te komen, moet je eerst het echte probleem zien. En dat betekent dat we onze ongezonde obsessie – zeg maar gerust fetisj – met het echte leven dat alleen offline gebeurt moeten loslaten. 

Weg met het online/offline onderscheid: dat is er niet

Geen telefoons aan de eettafel want dan kun je tenminste echte gesprekken met elkaar hebben. Je 500 Facebookvrienden…dat zijn toch geen echte vriendschappen? Je kunt beter je tijd besteden aan je echte vrienden. Zonder je telefoon kun je veel beter je vakantie/concert/restaurantbezoek beleven, dan geniet je er tenminste echt van in plaats van alleen te letten op de instagramable qualities.
Herken je dit?
Bovenstaande formuleringen lees je steeds vaker in de media (of hoor je in je sociale omgeving). Ze vormen de kern van de Tegenbeweging die om een betere relatie met haar smartphone te krijgen, aan dat ding steeds meer paal en perk stelt in de vorm van detoxen, strategische unplugmomentjes en digitale sabbaths op vakantie of in het weekend.
Hierin zit een belangrijke aanname verborgen, namelijk dat er een onderscheid is tussen on- en offline. En natuurlijk het sterke morele oordeel dat offline per definitie te verkiezen is boven online.
Maar, is er nog wel een onderscheid? Nathan Jurgenson – een heel interessante denker die momenteel als onderzoeker voor Snapchat werkt – muntte in 2011 al de term ‘digitaal dualisme’ voor het geloof dat er nog zoiets is als een analoge wereld en een virtuele variant.
the Internet is like the Matrix, where there is a “real” (Zion) that you leave when you enter the virtual space (the Matrix) -an outdated perspective as Facebook is increasingly real and our physical world increasingly digital. (bron)
Maar er is geen verschil meer, stelt Jurgenson. We leven in één realiteit waarbinnen online interacties een even sterke aanwezigheid hebben als offline interacties. Er is niet zoiets als puur offline of puur online meer: onze on/offline ervaringen voeden elkaar, soms op een positieve manier, soms op een negatieve manier. Maar als je dit erkent, deze onlosmakelijke verbondenheid, kun je het tenminste eindelijk eens gaan hebben over wat het échte probleem is dat vaak wordt verhuld door de terminologie van on-/offline balans. Is het probleem bijvoorbeeld dat we te vaak verkeren in de digitale wereld van onze smartphone (oplossing: zet dat ding uit) of is het probleem dat we in een permanente cultuur van bereikbaar moeten zijn leven?
Did you notice that even when your phone is off, it’s not really off? Because even then we know that emails are coming into our inbox, friends are posting messages that we are missing out on and mayor news is happening. […] We are living in an always on world where there’s no off switch. Silent mode is not silent.
En nee, hoewel bereikbaar zijn natuurlijk een affordance is van onze mobiele technologie, is het niet synoniem ermee. Het is een breder probleem dat ook wortelt in onze productiviteitscultus, de plek die werk inneemt in onze zingeving en ons economisch systeem dat geobsedeerd is met groei.

We lijden aan een offline fetisj

Jurgenson schrijft dat we door ons digitaal dualisme geobsedeerd zijn door het offline, of in zijn woorden: we hebben een IRL (In Real Life) fetisj.
One of our new hobbies is patting ourselves on the back by demonstrating how much we don’t go on Facebook. People boast about not having a profile. We have started to congratulate ourselves for keeping our phones in our pockets and fetishizing the offline as something more real to be nostalgic for.
Dat is gebaseerd op sterke morele oordelen, in plaats van op feitelijke eigenschappen:
This comparatively recent (over)valuing of “offline” objects and experiences doesn’t stem from some change in their intrinsic properties, however. Rather, we ascribe more value to certain “offline” objects and experiences—which we misleadingly label “real,” as if online objects and experiences were not equally real—because they now serve as symbols (fetishes) that represent both the superiority of the precious, authentic “offline” and the inferiority of the hollow, ubiquitous, ever-encroaching “online.”
En ook een sterke morele veroordeling, een superioriteitsgevoel over al die arme anderen die zich maar telkens laten meeslepen naar die virtuele wereld:
While the offline is said to be increasingly difficult to access, it is simultaneously easily obtained — if, of course, you are the “right” type of person. […]
People boast about their self-control over not checking their device. “I am real. I am the thoughtful human. You are the automaton.”
Bovendien, schrijft Jurgenson, is het geen kwestie van dat onze online ervaringen onze offline ervaringen verdringen. Juist door de onrust die onze continue digitale aanwezigheid veroorzaakt, waarderen we de momenten van ongestoordheid des te meer:
We may never fully log off, but this in no way implies the loss of the face-to-face, the slow, the analog, the deep introspection, the long walks, or the subtle appreciation of life sans screen. We enjoy all of this more than ever before. Let’s not pretend we are in some special, elite group with access to the pure offline, turning the real into a fetish and regarding everyone else as a little less real and a little less human.

Laten we praten over echt aanwezig zijn

Goed, niet meer over online/offline meer praten dus. Maar waarover dan wel? Want zoals ik in mijn inleiding al schreef: de terminologie mag dan misleidend zijn die we nu hanteren, ze beschrijft wel echte problemen die we nu ervaren. Wellicht kan dit stuk van internetonderzoeker Whitney Erin Boesel ons op een goed spoor zetten, waarin ze voorstelt dat we in plaats van online/offline in termen van aanwezigheid/afwezigheid gaan denken.
Haar stuk begint met haar herinnering aan een avondje uit, wat biertjes drinken en flipperen in een bar met drie goede vrienden. Of, wacht even…drie vrienden? Boesel realiseert zich opeens dat ze maar met twee vrienden in de bar stond. Met de derde vriend had ze de hele avond geappt en blijkbaar was zijn online aanwezigheid zo sterk dat ze hem in haar herinnering gewoon lijfelijk in de fysieke bar had getransporteerd:
A few seconds later, however, it hit me that my mental picture of that moment didn’t match my memory of it. What I remembered was being in the dive bar spending time with three friends, but I could only picture two friends lit by the flashing lights of so many pinball machines. I realized that Friend #3 had been so present to me through our digital conversation that my memory had spliced him into the dive bar scene as if he’d been physically co-present, even though he’d been more than 200 miles away.
Dat zette haar aan het denken: begrijpen we het begrip ‘aanwezigheid’ nu verkeerd? Gaat het bij aanwezig zijn wel echt om fysieke aanwezigheid in dezelfde ruimte of gaat het om mentale, emotionele aanwezigheid?
When my friend pulls out a phone while I’m talking, it’s not that my friend is suddenly absent; it’s that my friend is shifting their attention from our dinner together to the stranger whom they, in this case, just invited to stop at the table. And yes, doing that mid-conversation is rude
Roesel pleit ervoor om mensen aan te spreken op hun rudeness, hun onbeleefdheid, maar dan wel op de juiste manier. Het gaat er namelijk niet om dat je vriend z’n telefoon erbij pakt, maar het gaat erom dat hij jou niet meer zijn volledige aandacht schenkt. Als je in termen van aanwezigheid praat, dan heb je iets concreters om iemand op aan te spreken:
Starting from an assumption of presence, however, allows us to capture difference by asking what each smartphone user is doing and why. If we assume absence, all we have is what those smartphone users are (aka, absent).
En bovendien, stelt Roesel, laten we niet ervan uitgaan dat de afwezigheid van een smartphone de mentale aanwezigheid van een persoon betekent.
A smartphone in my hand may make it more glaringly (glowingly?) apparent to the person speaking that I’m not giving them my full attention, but I don’t need the smartphone in my hand to create the possibility of inattention. If we view smartphone use as “absence,” it’s too easy to see non-use automatically as presence; yet, we all know the frustration of talking to someone who’s distracted, even without a smartphone in their hand. We shouldn’t kid ourselves that we have someone’s attention just because the thumbs are still and the eyes are pointed in our general direction.

Offline: recht voor allen of luxe voor the happy few?

We worden in allerlei media aangemoedigd om te unpluggen, te detoxen, te disconnecten. “Volg deze vijf tips op en je bent weer verzekerd van betere on/offline balans.” Wat we daarmee uit het oog verliezen is dat de aandachtseconomie die ten grondslag ligt aan de aandachtsverslindende apps op je smartphone precies dát is wat het woord al zegt: een economisch principe. Willen we dus echt doordringen tot de kern waarom we nu zo’n slechte relatie hebben met onze telefoon, dan is het niet genoeg om te blijven steken op technologisch – laat staan individueel – niveau, maar moet je je gaan begeven in het politieke en economische domein. Maar om het leuk te houden, gooi ik er wel een lekker donutje voor je in.  

The right to disconnect

We gaan weer met z’n allen er even lekker tussenuit tijdens de zomervakantie, maar wees eens eerlijk: ben jij écht weg of check je toch stiekem je werkmail?
Op 1 januari nam Frankrijk een wet aan die bedrijven met meer dan 50 werknemers verplicht om een ‘disconnection’ beleid te hebben rondom communicatie na werkuren en in vakanties. Het was het eerste land dat zoiets in regelgeving vastlegde. Er zijn echter al voorbeelden bekend van bedrijven die het recht op niet bereikbaar hoeven te zijn al vastlegden in hun bedrijfspolicy. Maar zoals ik me in m’n nieuwsbrief over dit onderwerp al afvroeg: is dit wel aan landen om dit als recht vast te leggen? Hoort dit thuis in het politieke domein? En zo ja: Benadeel je door the right to disconnect vast te leggen voor een paar groeperingen niet onbedoeld andere mensen?

Alleen happy few kunnen zich ‘offline’ veroorloven

Tech-criticus Evgeny Morozov heeft het recht om offline te kunnen zijn ook niet erg hoog zitten. Hij vindt dat ‘the right to disconnect’ nu op twee manieren veel te beperkt bekeken wordt, waardoor de verkeerde groepen verliezen.
Allereerst schrijft hij dat ‘the right to disconnect’ dat zich toespitst op (email)communicatie vanuit je baan weinig zin heeft als de meest verslavende bedrijven zoals Facebook en Instagram gewoon door mogen gaan met hun praktijken om te verdienen aan je aandacht. In plaats van dat we dan wat van onze aandacht terugwinnen, verschuift het dan gewoon van werk-email naar nog meer social media. Winnaars: social media. Verliezers: wij en onze werkgevers.
[….] What do we really gain if we win the right not to check our work-related email only to squander it on clicking, half-mesmerised, that “update” button on Facebook or Twitter? One set of companies – our formal employers – stand to lose, as they can’t expect us to be always available; another set of companies, though, our informal employers – the likes of Facebook and Twitter – stand to gain, as we gladly furnish them with valuable data that propels their growth.
De tweede manier waarop we ‘the right to disconnect’ te beperkt opvatten is dat het nu vooral in de context van de traditionele baan wordt bekeken. En constante bereikbaarheid is juist de sleutel voor veel beroepen uit de sharing economy. Even niet bereikbaar? Geen werk, geen inkomsten. Lees bijvoorbeeld dit stuk van vriendin Yuki Kho voor Vrij Nederland die werkte als Foodora koerier om erachter te komen hoe het is om voor een algoritme te werken
En dus ziet Morozov ‘the right to disconnect’ vooral als een bescherming voor de mensen die het eigenlijk niet (of in elk geval minder) nodig hebben: de mensen die al een (vast) arbeidscontract bij een bedrijf hebben. Verliezers: de ‘sharing economy’ werknemers.
Hence the paradox: the gig workers need no right to disconnect as no one is forcing them to work – and yet the dynamics of the platform are such that meaningful disconnection is made almost structurally impossible. […]
Thus we end up in the odd situation where well-protected regular jobs acquire extra benefits like “the right to disconnect”, while the unprotected, precarious jobs in the gig economy keep expanding – mostly by violating this very right as often as possible.
We moeten onze discussie over een offline/online balans dus vooral in een breder perspectief bekijken. Niet alleen het plaatsen bij de wilskracht, of skills van een individu, maar het zien als een maatschappelijk probleem, dat ook raakt aan de manier waarop nu onze economie is ingericht.
To be truly meaningful, the right to disconnect needs to be tied to a much broader, radical vision of how a data-rich society can retain some basic elements of equality and justice. In the absence of such a vision, this right will only protect those who are already well-off, forcing the rest to seek solutions – like mindfulness apps – in the marketplace.

Digitale detox is een politiek, niet individueel probleem

De reden waarom we bovenstaande nuancering missen – de politieke dimensie van digitale detox – zit ’m deels in de taal die de tegenbeweging hanteert. Unpluggen, digitale detox, disconnecten: deze principes richten zich vooral op het individu dat actie moet ondernemen, eventueel ook op sociaal vlak. We moeten af van deze ‘gemedicaliseerde’ taal, vindt Morozov, om echt slagkracht te krijgen:
But couldn’t the “disconnectionists”—as one critic has recently dubbed this emerging social movement—pursue an agenda a tad more radical than “digital detoxification”? For one, the language of “detox” implies our incessant craving for permanent connectivity is a medical condition—as if the fault entirely resided with consumers. And that reflects a broader flaw in their thinking: The disconnectionists don’t seem to have a robust political plan for addressing their concerns; it’s all about small-scale individual action. […]
In other words, why we disconnect matters: We can continue in today’s mode of treating disconnection as a way to recharge and regain productivity, or we can view it as a way to sabotage the addiction tactics of the acceleration-distraction complex that is Silicon Valley.

Denk meer in donuts in plaats van groei

Waar Morozov de ongelijkheid nog koppelt aan de sharing economy, schreef ik al eerder over Douglas Rushkoff die de oorzaak van de aandachtseconomie zoekt in het economisch model dat nu de boventoon voert: de groei-economie.
En we begaan een enorme fout als we de schuld van dit oogsten van aandacht proberen op te lossen door de bad guy – technologie – uit ons leven te bannen. Dan mis je compleet het punt, namelijk dat deze economische principes al eeuwenlang bestaan, lang voor het ontstaan van je smartphone, email of internet.
De vraag die we onszelf moeten stellen is dan ook niet ‘hoe komen we af van onze digitale verslaving?’ maar: ‘hoe kun je een samenleving bouwen op niet-groei of prestatie geïndiceerde normen en waarden?’. En: ‘hoe gaan we onze zingeving inrichten als dat niet gebaseerd is op groei?’. Hier vind je m’n complete nieuwsbrief erover.
Een alternatief voor de groei-economie zou je kunnen vinden in de donut-economie van Kate Raworth. In haar op 6 april verschenen boek ‘Doughnut economics’ stelt ze dat de huidige economie is gebaseerd op een aantal rigide ideeën die niet alleen geen recht doen aan de huidige dynamiek van de genetwerkte wereld, maar ook nog eens ervoor zorgen dat we stuurloos – zonder menselijke waarden- alleen richting oneindige groei aan het rennen zijn.
Als we over economie praten dan hebben we het vooral een paar smalle begrippen. In de woorden van Ewald Engelen: over het bruto binnenlands product (bbp); de aanname van de individualistische economische actor, homo economicus genaamd; het idee van de eigenstandige, op zichzelf staande markt; het mechanische marktevenwicht; de omgekeerde U-curves van ongelijkheid en verduurzaming (hoe rijker, hoe gelijker en schoner); en de illusie van exponentiële groei.
Deze begrippen bepalen wat wij onder economie scharen, wat zichtbaar is binnen deze kaders en wat onzichtbaar:
The central image in mainstream economics is the circular flow diagram. It depicts a closed flow of income cycling between households, businesses, banks, government and trade, operating in a social and ecological vacuum. Energy, materials, the natural world, human society, power, the wealth we hold in common … all are missing from the model. The unpaid work of carers – principally women – is ignored, though no economy could function without them. Like rational economic man, this representation of economic activity bears little relationship to reality.
Volgens Raworth is het dan ook de hoogste tijd om dit foutieve gatenkaasmodel van economie – en daarmee ook van ons mensen – bij te stellen. Hoe we dat moeten doen? Door economie weer richting te geven, haar niet langer waardenvrij te laten, maar een maatstaf en instrument te laten zijn voor wat wij als een goed leven beschouwen.
The aim of economic activity, she argues, should be “meeting the needs of all within the means of the planet”. Instead of economies that need to grow, whether or not they make us thrive, we need economies that “make us thrive, whether or not they grow”. This means changing our picture of what the economy is and how it works.
Als alternatief stelt Raworth dan ook de donut voor:

Deze donut – het groene gedeelte –  bestaat uit twee ruimtes of ringen. De ruimte aan de binnenkant representeert alle dingen die we nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden. Van voedsel, een dak boven je hoofd tot zaken als onderwijs, democratie en gendergelijkheid – de complete Maslowpiramide. Aan de buitenkant van de donut neemt Raworth de capaciteit van de aarde op. En zo zie je een groene veilige ruimte ontstaan – de “ecologically safe and socially just space” – waar economie binnen zou moeten blijven.
Of je het nu eens bent met de idealistische invulling van Raworth, het is in elk geval interessant dat ze de vraag opwerpt waarom we eigenlijk zo’n beperkte invulling geven aan het begrip economie en daarin allerlei factoren buiten beschouwing laten, waarom het niet volgens menselijke maatstaven is ingericht en waarom het losstaat van menselijke waarden.
De donuteconomie is food for thought, ook zeker binnen het denken over de aandachtseconomie.

 

Techbedrijf, voor je winst hoef je ons niet verslaafd te maken

Deze nieuwsbrief staat ook weer in het teken van Nir Eyal. Hij stelt namelijk dat techbedrijven ons helemaal niet verslaafd hoeven te houden om winst te kunnen blijven maken én zelfs in een unieke positie zijn om mensen die écht verslaafd zijn geraakt te helpen. Waar begint de ethische verantwoordelijkheid van techbedrijven bij het ontwerpen van een betere relatie met onze telefoon en waar eindigt deze?

Unieke positie techbedrijven om verslaafden te helpen

Als we nadenken over een meer ethische benadering rondom de diensten die nu in onze smartphone zitten en onze aandacht ongewild opslurpen, dan zit je al snel bij regulering of alternatieve ontwerpen. En dat, zo schrijft Eyal, terwijl techbedrijven juist in de unieke positie zijn om techverslaafden te helpen.
Hij onderscheidt namelijk twee typen van verslavende producten. In de eerste categorie kent de fabrikant z’n klanten niet. De fabrikant van sigaretten weet bijvoorbeeld niet wie z’n stinkstokkies koopt en kan daarom niet veel meer doen dan een algemene waarschuwing op de verpakking zelf plaatsen.
In het tweede type verslavend product kent de maker z’n gebruikers wel, en zelfs zeer goed. De makers van games en social media tracken hun gebruikers bijvoorbeeld in elke klik die ze maken. Ze weten precies hoe lang hun gebruikers per dag doorbrengen in hun digitale omgeving, en hoe vaak ze op een bepaalde link klikken. Ze kunnen precies zien wie er op een ongezonde manier met hun product omgaat.
En juist daarom vindt Eyal dat makers van technologie een ethische verplichting hebben om gebruikers tegen zichzelf in bescherming te nemen:
When it comes to companies that know exactly who’s using, how, and how much, much more can be done. To do the right thing by their customers, companies have an obligation to help when they know someone wants to stop, but can’t. Silicon Valley technology companies are particularly negligent by this ethical measure.
Dat kan bijvoorbeeld door als bedrijf een voorzichtige email naar een gebruiker te sturen om hem/haar bewust te maken van het feit dat z’n gebruik toch wel ver boven het gemiddelde ligt, of de gebruiker de mogelijkheid bieden om voor zichzelf grenzen te stellen (na 2 uur Facebookgebruik sluit de service zich automatisch voor je af).  Daar hoef je dan niet elke gebruiker mee lastig te vallen, maar alleen specifieke gebruikers die het nodig hebben. Eyal bedacht deze voorbeelden:
For example, instead of auto-starting the next episode on Netflix or Amazon Video, the binge-inducing video streaming services could ask users if they’d like to limit the number of hours they watch in a given weekend. Online games could offer players who cancel their accounts the option of blacklisting their credit cards to prevent future relapses. Facebook could let users turn off their newsfeeds during certain times of the day. And rather than making it so fiendishly difficult to figure out how to turn off notifications from particularly addictive apps, Apple and Android could proactively ask certain users if they’d like to turn off or limit these triggers. […]
For example, setting a trigger based on the number of hours spent using an online service could prompt the company to reach out to suggest ways to cut back or deprecate certain features.
Natuurlijk zit hier een fijne grens tussen goedbedoelde hulp en een paternalistische houding – zoals iedereen die wel eens advies heeft gegeven wel weet…

Je hebt hoge participatie nodig, geen verslaafden

Als we het hebben over de technieken die de techindustrie inzet om hun gebruikers ‘hooked’ te krijgen, dan wordt Silicon Valley al snel vergeleken met Las Vegas. Maar dat is juist een vergelijking die we niet meer moeten trekken volgens Eyal als we het hebben over hoe techbedrijven hun ethische verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dan mis je namelijk het grote verschil tussen Silicon Valley en Las Vegas: dat Las Vegas voor z’n businessmodel afhankelijk is van verslaafden en Silicon Valley niet.
Casino’s – en ook andere industrieën zoals online games – halen het meeste voordeel uit de mensen die echt verslaafd zijn. Walvissen worden deze mensen genoemd – de 0,15 % van de spelers die 50% van de opbrengsten binnen brengen.
In an industry where the cost of acquiring a player is just barely less than the revenue made per user, whales tip the scales to profitability. Without these extreme customers, their businesses aren’t viable. Similarly, the casino industry depends on a disproportionate share of revenue coming from a small group of likely addicted gamblers, some of whom are known to wear adult diapers to avoid having to stop playing.
Er zijn natuurlijk veel industrieën die leunen op een walvismodel, a.k.a businessmodel, waar ze het leeuwendeel van hun inkomsten door hun meest loyale klanten binnenkrijgen. Zo verkrijgt de fast food industrie 60% van hun inkomsten van de 20% ‘heavy users’ (oh, de ironie).
De vraag is dan natuurlijk: waar begint de ethische verantwoordelijkheid van een bedrijf? Eyal vindt dat het onethisch is als een bedrijf inkomsten accepteert van iemand die eerder heeft aangegeven te willen stoppen met het product, maar dat niet kan. Zo zijn de meeste Amerikaanse casino’s bijvoorbeeld verplicht om ‘self-exclusion’ programma’s te hebben voor spelers die hun verslaving willen breken, maar verwelkomen ze hen tegelijkertijd met open armen als ze weer het casino binnenwandelen.
Casinos escape liability through a legal loophole protecting them from prosecution. Nevertheless, it is unethical to accept patronage from someone a company knows wants to stop using your product but can’t. This moral standard should apply to all industries that collect personal usage data on individuals and therefore have the ability to identify, message, and help problem users.
Het probleem is: dit soort industrieën zijn even verslaafd aan hun verslaafden, als de verslaafden aan hun producten zijn. Je ethische verantwoordelijkheid nemen zou wel eens kunnen betekenen dat je je eigen business onderuithaalt. Het businessmodel van de meeste apps en services op je telefoon steekt echter heel anders in elkaar: je hebt geen walvissen nodig, maar juist zoveel mogelijk kleine (en loyale) visjes.

Maak je product juist meer engaging

Goed, je hebt dus een hoge participatiegraad nodig om je product winstgevend te kunnen houden. Dat betekent dus dat je – wellicht tegen je verwachting in – je product juist meer ‘engaging’ (heeft iemand hier een goede Nederlandse vertaling voor?) moet maken. Niet verslavend, maar wel gewoontevormend.
Wat je namelijk nodig hebt, zo schrijft Eyal in z’n boek ‘Hooked’, is een hoge CLTV – Customer Lifetime Value, wat zoveel betekent als het geld/andere soort waarde die je van een gebruiker krijgt voordat ie om de één of andere reden besluit om te stoppen met je product. En die CLTV stijgt juist hoe meer jouw product gewoontevormend is. Een bekend model hiervoor is het Freemium-model, waarbij een product of dienst gratis wordt aangeboden, met premium functies waarvoor je dan wel moet betalen. Gratis games zoals Pokémon Go bieden bijvoorbeeld gebruikers de kans om extra pokéballs of eitjes te kopen in de shop. En nieuwsbriefservices zoals deze bieden gebruikers in de Pro-variant meer mogelijkheden om het design van de nieuwsbrief aan te passen, of A/B-tests te doen. Gebruikers zijn eerder geneigd om te betalen voor je product als ze het al op regelmatige basis gebruiken (en er natuurlijk tevreden over zijn).
Bovendien zijn gebruikers die echt waarde in je product vinden geneigt om je product te bepleiten bij hun vrienden:
Having a greater proportion of users daily returning to a service dramatically decreases Viral Cycle Time (the amount of time it takes a user to invite another user) for two reasons: First, daily users initianate loops more often (think tagging a friend on Facebook); second, more daily users means more people to react and respons to each invitation. The cycle not only perpatuates the process – with higher rand higher user engagement – it accelerates it.
Maar het echte verschil voor je product gaat pas komen in de laatste fase van het ‘Hooked’ raken, de fase van investeren die ik vorige week beschreef. Als je product zo is gemaakt dat het elke keer z’n waarde vergroot wanneer de gebruiker het gebruikt en er iets in investeert – data, vrienden toevoegen – dan leert het product de gebruiker beter kennen en kan van meer waarde zijn. Zo leert Netflix nauwkeuriger voorspellen (tot op het gênante af) van welke voor films en series je echt houdt. En doordat Gmail elke email die je hebt verstuurd bewaart, is de emailservice niet alleen een tool om mee te emailen (en daarmee inwisselbaar voor welke emailservice dan ook), maar een archief van jaren en jaren emails. En zou jij je verzamelde herinneringen op Instagram zomaar willen inwisselen voor een andere – wellicht privacyvriendelijkere – service?
Switching to a new e-mailservice, social network, or photosharing app becomes more difficult the more people use them. The nontransferable value created and stored in these services discourages users from leaving. […]

So why haven’t more Google users switched to Bing? Habits keep users loyal. If a user is familiar with the Google interface, switching to Bing requires cognitive effort. Although many aspects of Bing are similar to Google, even a slight change in pixel placement forces the would-be user to learn a new way of interacting with the site. Adepting tot he differences in the Bing interface is what actually slows down regular Google users and makes Bing feel inferior, not the technology itself.

Ook het lerende algoritme van Google dat z’n best doet om suggesties aan te bieden op basis van je eerdere zoektochten zorgt dat nu ‘even dit online nazoeken’ synoniem is geworden aan ‘even googlen’.

Waar eindigt verantwoordelijkheid van techbedrijven?

Goed, technologiebedrijven verkeren dus juist in de positie om echt verslaafde gebruikers te helpen, en hebben het dus ook niet nodig voor hun businessmodel om hen verslaafd te houden. Maar waar begint en eindigt deze verantwoordelijkheid eigenlijk?
Eyal stelt dat we allereerst een verschil moeten maken tussen positieve en negatieve manieren van manipulatie. Zo zijn er ook veel industrieën die manipulatie bewust inzetten om hun gebruikers te helpen:
If manipulation is a designed experience crafted to change behavior, then Weight Watchers, one of the most successful mass-manipulation products in history, fits the definition.
Bij manipulatie moet je allereerst het onderscheid maken tussen ‘persuasion’ (overreding) en ‘coercion’ (dwang). In het eerste geval zet je de gebruiker aan tot iets wat hij/zij wel wil, in het tweede geval zet je hem/haar aan tot iets dat JIJ wil, maar de gebruiker eigenlijk niet. Dark patterns is een voorbeeld van deze laatste kwalijke vorm van manipulatie. Trucjes ingebouwd in websites, apps of games die de gebruiker onbedoeld aankopen laat doen of zich laat aanmelden voor diensten of nieuwsbrieven. Deze site verzamelt de veelvoorkomende dark patterns (en de bedrijven die hiervan gebruik maken).
Vervolgens moet je volgens Eyal als maker jezelf de vraag stellen: heb ik het überhaupt voor mijn business nodig om mijn gebruikers hooked te krijgen? Daarvoor ontwierp hij bovenstaande Manipulation Matrix:
The Manipulation Matrix does not try and answer which businesses are moral or which will succeed. Nor does it describe what can and cannot become a habit-forming technology. The matrix seeks to help you answer not, “Can I hook users?” but “Should I attempt to?”
Het model stoelt op twee sleutelvragen: ‘Zou ik het product zelf gaan gebruiken? (of: zou ik het product hebben gebruikt als ik jonger/ouder was?)’ en: ‘Geloof ik dat het product z’n gebruikers helpt om hun leven te verbeteren?’.
Als je voldoet aan deze twee criteria heb je volgens Eyal alle benodigde verantwoordelijkheid genomen. Maar wat nu als een gebruiker vervolgens tóch verslaafd raakt aan je product? Tjsa, vindt Eyal, daar begint dan de eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker.
In any normal distribution, a small percentage of people will be on the extremes. If the designers make a product that they would use themselves, and they believe it improves the lives of their users, they have fulfilled their moral obligation.

Golden Krishna: Een schermpjesloze wereld

Google-designer Golden Krishna (ja, z’n echte naam) stelt in zijn boek ‘The best interface is no interface’ (2015) dat we vastzitten in een wereld vol schermpjes. Hebben we een probleem? Een slim schermpje om het op te lossen! Willen we innoveren? Slap an interface on it! Een prullenbak met een scherm dat laat zien dat het regent terwijl je in de regen voor die prullenbak staat…wie wordt daar nu niet blij van?
Niet alleen lost het slimmer maken van onze omringende tech door er een schermpje op te plakken onze daadwerkelijke vragen en behoeftes niet op. Maar het reduceert ons ook tot een ‘schermpjes-wereld’ waarin we een hele lijst met digitaal huiswerk krijgen om nog enigzins te kunnen communiceren met onze tech. Op dus naar een wereld zonder schermpjes!

Ons schermpjes-denken: waar is het fout gegaan?

De Ipad-potty…onmisbaar voor een goede start van de opvoeding
Het is bijna 40 jaar geleden sinds de PC werd uitgevonden. En hoewel er sinds die tijd ‘aan de achterkant’ grote uitvindingen – zoals een snelle internetverbinding, verbeterde data-opslag en process power –  het ontwerp van de PC enorm hebben verbeterd, is de innovatie aan de voorkant blijven steken.
We’ve hardly evolved the primary interaction we have with computer […] progress around the front end — what we do see, the graphical interface — has been devolving into psychological tricks.
Wat is de oorzaak daarvan? Het feit dat we User Experience zijn gaan verwarren met User Interface, schrijft Krishna. Dat zijn designtermen, maar je snapt wel wat ie bedoelt als je hiernaar kijkt:
This is UI: Navigation, subnavigation, menus, dropdowns, buttons, links, windows, rounded corners, shadowing, error messages, alerts, updates, checkboxes, password fields, search fields, texts inputs, radio selections, text areas, hover states, selection states, pressed states, tooltips, banner adds, embedded videos, swipe animations, scrolling, clicking, iconography, colors, lists, slideshows, alt text, badges, notifications, gradients, popups etc.

This is UX: People, happiness, solving problems, understanding needs, love, efficiency, entertainment, pleasure, delight, smiles, soul, warmth, personality, joy, satisfaction, gratification, bliss, euphoria, convenience, enchantment, magic, productivity, effectiveness etc.

Kortom: We hebben UX design waarbij behoeftes van consumenten worden opgelost, verward of gelijk gesteld aan UI design: interface design dat draait om communicatie, om het ontwerpen van een schermpje. En zijn zo niet alleen aanbeland bij de geweldige uitvinding van een schermpje op je koelkast waarop je tweets binnenkomen, maar ook bij de zin:
There’s an app for that.
Hoe verkeerd en belachelijk dit ‘schermpjes-denken’ als automatische oplossing voor zo’n beetje alles is, wordt duidelijk uit het volgende voorbeeld:
The New York Post had een prima oplossing voor een uitvallende telefoon door weinig batterij: “Battery Doctor is a mobile app that will tell you the amount of power and time left on your current battery. It will also give you suggestions on how to get more juice when you need it now and in the future”. Geweldig…dus om m’n probleem met een lege accu op te lossen hoef ik alleen maar een stroomverslindende app te downloaden..
Volgens Krishna beginnen steeds meer mensen tot de conclusie te komen dat schermpjes noch apps hun daadwerkelijke behoeftes invullen en dat ze niet meer clicks of swipes in hun leven willen.
According to Quartz, the average American smartphone user downloads zero… yes, zero apps per month. People seem to download a few key apps — like email, maybe a social network, and perhaps a game — when they purchase their phone, and then never really download anything ever again.

Wij dienen onze tech: Inbox zero, wie wil dat nu niet?

Yes! Weer een stap dichter bij Inbox Zero, a.k.a. m’n hoogste doel in het leven
 “The real problem with the interface is that it is an interface. Interfaces get in the way. I don’t want to focus my energies on an interface. I want to focus on the job…I don’t want to think of myself as using a computer, I want to think of myself as doing a job.”
Dit is een citaat van de bekende designer Don Norman. Uit 1990. Au.
Het probleem van schermpjesdenken is volgens Krishna niet alleen dat het onze daadwerkelijke behoeftes niet invult, maar dat we er ook een ellenlange lijst van taken bijkrijgen om in godesnaam maar te kunnen communiceren met onze tech.
On a given day you could have software updates to download and install, passwords to reset, notifications to attend to, files and folders to sort, messages to archive, social media requests to confirm, calenders to update, credit card balances to check, information to verify, storage space to manage and monitor, documents to back up, messages to reply to, photo’s to upload, flights to check in…These are digital chores. The maintenance of our digital lives.
Ok, a new version is available? Yes, I’d love to download it for the next few hours.
We worden gedwongen om te communiceren op de manier van computers. Het onthouden van verschrikkelijk lange wachtwoorden met minstens tien letters, drie cijfers en een uitroepteken. Je weg kunnen vinden in databases. Niet alleen wordt je aandacht zo continue weggetrokken van de zaken die je belangrijk vindt – het échte werk dat je gedaan wilt krijgen – en heb je minder tijd over voor bijvoorbeeld vrienden en familie, maar we snappen daarnaast ook steeds minder hoe onze technologie werkt.
Krishna geeft in zijn boek het voorbeeld van een was- of afwasmachine. Huishoudelijke apparaten waar mensen vaak enorm veel geld voor neertellen, maar waarvan ze vaak maar één of twee programma’s gebruiken (ongeacht wat je wast of hoe vies het is) omdat ze niet begrijpen wat de rest inhoudt. En natuurlijk heb je wel wat beters te doen dan die onbegrijpelijke ellenlange handleiding doorspitten. Bovendien: als je er zoveel geld voor neertelt, mag je toch wel een betere communicatie verwachten van je tech?
Het meest verontrustende is echter dat we ongemerkt ook onze behoeftes en ambities aanpassen aan de computer-communicatie. Heb jij al eens gejuicht toen je je emailbox helemaal leeg had gewerkt? Waar was je toen eigenlijk blij om? Had je toen JOUW behoefte verwezenlijkt, of die van je technologie?
We seeks alluring, aspirational moments like Inbox Zero – a state of having an empty inbox because you’ve deleted, moved or archived them all – with many desire and few attain. But for what? For happiness? The improvement of society? Nope, for the computer. For the interface. So that a count in a numerical badge floating above your application icon can diminish and eventually disappear. So that the application notifications eventually go away. So that your most important documents are preserved. So that your account stays current. So that you don’t get hacked.

Zo kan onze tech ons weer gaan dienen

Waarom je geen twaalf stappen nodig hebt om een deur te kunnen openen
Bedenk eens wat jouw meest snelle informatieverwerkingssysteem is? Iets waardoor je in minder dan een seconde weet of een brood nog goed is of dat je die melk nog kunt drinken. Juist, je zintuigen. Maar onze computers waar we steeds meer op vertrouwen zijn nog uitgerust met hetzelfde informatieverwerkingssysteem als toen ze uitgevonden werden: user input, informatie die wij erin stoppen.
When it comes to computers, we build them with a different information-gathering system. We use a methodology that fuels our bizarre relationship with them. We make them rely on user input. […‘It’s time to teach our powerful machines to sense the world more like we do. The technology exists, it’s prevalent, and yet it remains mostly unused in the consumer marketplace.
Computers die de wereld zien door zintuigen…mmm…wat bedoelt Krishna hiermee? Vooral dat we bij het ontwerpen van User Experience design uit moeten gaan van het observeren van zaken die daadwerkelijk gebeuren en daar een technologie rondom creëren.
Onbevooroordeeld naar de werkelijkheid kijken, in plaats van alles al in de context van een schermpje te plaatsen:
For the last few decades in making digital products, we’ve been drawing rectangles (screen representations) and wondering how we can solve problems inside these lazy rectangles. Instead, a more interesting sandbox is to start with the typical process of our customers.
Krishna geeft het voorbeeld van ontwerpers van Ford die het opviel dat sommige automobilisten, terwijl ze met hun handen vol boodschappen de achterklep open probeerden te doen, hun been uitstaken onder de bumper. Dat bracht ze op het idee om dit ‘typical process’ te omarmen, een set sensoren onder de bumper aan te brengen die een schop van het been kunnen herkennen en daarop de achterklep automatisch openen. Deze goedkope sensoren werden één van de meest gewilde features van bepaalde Ford auto’s.
Of kijk naar het plaatje hierboven. Een tekening van de app Lockitron die het probleem probeert op te lossen dat mensen vaak hun sleutel verliezen. De eerste oplossing was sloten die met een app geopend konden worden. Dat resulteerde in twaalf stappen waarin je eerst je telefoon uit je zak moest pakken, ontgrendelen, de app moest openen, je code invoeren e.d. om maar die deur open te krijgen. Raad eens hoeveel mensen er echt blij waren met deze oplossing?
Dus in de tweede versie van hun ontwerp gooide Lockitron de boel grondig om. Geen twaalf stappen meer, maar een slim slot dat automatisch communiceert met je telefoon in je broekzak zodat jij niets meer hoeft te doen en de deur vanzelf voor je opengaat.

De oplossing: achterzak-apps

Back-pocket apps, dat is volgens Krishna de oplossing voor onze groeiende aversie tegen aandachtsverslindende technologie die ons niet dient, maar onze evenzeer groeiende honger naar technologie die ons leven kan verbeteren en vergemakkelijken. Apps die aan het werk zijn terwijl je telefoon rustig in je achterzak zit. Jij hoeft er geen aandacht aan te besteden, je tech werkt voor jou.
Lockitron, die ik hierboven al noemde, gebruikt dus Bluetooth om met je deurslot te communiceren. En Krishna geeft ook het voorbeeld van Ginger.io, een app voor mensen die zwaar depressief zijn. Zonder te interfereren met hun dagelijks leven is Ginger.io op de achtergrond continue signalen aan het zoeken hoe het met je gaat: heb je je huis verlaten of familie of vrienden gebeld of geappt?
Zelf moest ik aan Amazon Go denken. Een supermarkt waarvan het eerste filiaal op 5 december opende, waarin je rustig shopt terwijl je telefoon in je achterzak bijhoudt wat je allemaal in je mandje hebt gestopt, weer bij nader inzien hebt teruggelegd en automatisch afrekent. Jij hoeft nergens aan te denken, behalve aan wat je voor je avondeten wilt maken. Forbes noemt het dan ook: Amazon Go is about payments, not grocery.
Of aan IFTTT (If This Then That), waarmee je ‘recepten’ creëert om het ene stukje software met het andere stukje software te laten communiceren. Als ik bijvoorbeeld een foto post op m’n Instagram, wordt ie automatisch doorgeplaatst op m’n website.
Krishna voorziet dat deze automatische software-to-software technologie de toekomst gaat zijn waardoor onze digitale klusjeslijst een stuk korter wordt, en technologie eindelijk weer gaat doen waar het voor bedoeld is: ons van dienst zijn.

Het recht om te disconnecten

Franse werknemers hebben nu the right to disconnect

Vanaf 1 januari heeft Frankrijk een wet aangenomen die bedrijven met meer dan 50 werknemers verplicht om een ‘disconnection’ beleid te hebben rondom communicatie na werkuren en in vakanties. Kortom: zodra je het kantoor uitwandelt kun je je email vergeten en je smartphone negeren.
De Franse minister van werk, Myriam El Khomri, hoopt dat de wet de gezondheidsgevaren van ‘info-obesitas’ tegengaat. Steeds meer studies tonen de gevolgen van een ‘altijd-aan’ werkcultuur, die ervoor zorgt dat werknemers niet genoeg rusten en herstellen van het werk. Zo toonde de Franse researchgroep Eleas aan dat meer dan 1/3de van Franse werknemers hun smartphones gebruiken om buiten werktijd te werken, terwijl 60% van de werknemers de wet steunen.
Ook de Universiteit van Brits Columbië vond in een studie dat werknemers die hun emails slechts drie keer per dag checkten minder stress hadden. De Colorado State University bewees het omgekeerde: dat werknemers van wie verwacht werd om na werktijden hun email en telefoon te beantwoorden, verhoogde stress haddenTwee weken geleden schreef ik al over de gevolgen van de continious partial attention, de term die Linda Stone hiervoor gebruikt.

Bedrijven die willen dat je emailloos op vakantie bent

Frankrijk mag dan wel het eerste land zijn dat officieel dit heeft vastgelegd in de wet, er zijn andere landen die ook bezig zijn met beleid hieromtrent. Zo zijn Japanse ambtenaren verplicht om hun werk voor 8 uur ’s avonds af te hebben. Daarna mag je blijven zitten werken, maar sta je wel onder toezicht van een strikt overwerk-preventie-team. En in Duitsland hebben managers een wettelijk verbod om tijdens vakanties hun werknemers te contacten.
Ook verschillende bedrijven hebben al ‘right to disconnect’ beleid. Zo hebben de 100.000 werknemers van de Duitse autofabrikant Daimler de emailfunctie ‘Mail on Holiday’ die automatisch alle inkomende mails tijdens vakantie delete zodat je na je vakantie kunt beginnen met een lekker lege inbox. Volkswagen heeft een beperkte emailserver in de avonden en weekenden en managers van de verzekeringsmaatschappij Allianz Frankrijk met 10.000 werknemers, hebben strikte orders om geen emails te sturen na 6 uur ’s avonds. Ook mogen ze trouwens geen vergaderingen op de late namiddag organiseren. De 7 campussen van de KEDGE Business School laten netjes weten bij mails na 7 uur ’s avonds dat de werknemer ‘out of schedule’ is en je hem of haar pas weer de volgende dag kunt bereiken. Ook hebben ze vastgelegd in hun beleid dat het ontvangen van excessief veel emails een misbruik is waarvoor je als werknemer naar hun human resources afdeling kunt stappen.

Ook recht op verveling, pech en te laat komen

Je kunt je afvragen of de ‘right to disconnect’ een eerste stap is naar digitale burgerrechten. Waar zouden we nog meer recht op hebben bijvoorbeeld? Sidney Vollmer, host van de podcast Digitalisme, beschreef vorig jaar 22 rechten die we volgens hem kwijtraken door digitale technologie. Onze technologie biedt ons vele kansen, maar zet daarmee wel vaak een nieuwe standaard. Zo hebben we volgens hem recht op:
  • * Het recht op verveling: Iedere burger heeft het recht op nietsdoen. Op dromerig uit het raam staren naar ons vlakke, vlakke land in plaats van naar een scherm.
  • * Het recht op pech en toeval: We hebben recht op de toevallige bijkomstigheden die ons leven onvoorspelbaarder maken, die nu door onze smartphones wordt weggenomen, zoals een regenbui.
  • * Het recht op verdwaling: De kortste route van A naar B is geen plicht. We hebben het recht om zélf de route uit te zoeken.
  • * Het recht op te laat komen: We hoeven niet binnen vijf minuten de ander een bericht te sturen om onze vertraging aan te kondigen.
* Het recht op intuïtie: Hoezeer het algoritme ook zegt dat we behoefte hebben aan X, moeten daten met Y, boek Z gelezen zou moeten worden: we hebben het recht algoritmische suggesties naast ons neer te leggen. En voor onze eigen, stomme, ongeïnformeerde, puberale, achteloze, hopeloze keuze te gaan.

Kunnen landen wel een disconnect-standaard zetten?

Wat de Franse wet interessant maakt, is niet alleen dat het een standaard zet voor wat belangrijke culturele waarden zijn en welke plek technologie daarin moet innemen. Maar de wet toont tussen de regels ook de moeilijkheden hiermee. Want: wiens standaard is dit eigenlijk? Hoe kun je als land, cultuur of bedrijf een standaard zetten voor individueel smartphonegebruik?
Dit dilemma wordt goed beschreven door journalist Carly Hoilman die beschrijft hoe de wet vrijheid kan betekenen voor de moeder die zo ’s avonds haar aandacht volledig kan richten op haar drie bloedjes van kinderen (die ondertussen alleen maar zitten te snapchatten met hun vriendjes, maar goed…), maar juist een beperking van vrijheid voor de 23-jarige ambitieuze werknemer die vrije tijd in overvloed heeft en graag overuren wil maken om sneller te kunnen stijgen op de carrièreladder.
Under this provision, individuals like the 23-year-old bachelor could be flagged for violating company policy. In order to comply with the new restrictions, he would have to forego his comparative advantage (i.e. more free time and less out-of-office obligations), and the company would cease to benefit from his (completely voluntary) additional labor.
De ‘right to disconnect’ is ingebed in een werkcultuur waar veel mensen juist profiteren van de flexibiliteit en het ‘work anytime, anywhere’ juist als vrijheid ervaren. (Laat staan het aantal werknemers dat samenwerkt met collega’s uit verschillende tijdzones). Werk heeft nu een andere invulling dan voor voorgaande generaties: werk is zingeving geworden, een onderdeel van je identiteit. Is daar zomaar een on/off knop op te zetten?

Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.

Interessante techtrend: Aural Augmented Reality

Vorig jaar haalde ik in m’n nieuwsbrief ook al het designbureau FROG aan met hun 15 voorspellingen voor 2016. Hun voorspellingen waren toen erg leuk, maar soms nogal far-fetched (bijvoorbeeld filmrecensies die zouden worden geschreven door je hartslag te meten). Dus voor 2017 zijn ze ietwat dichter bij de realiteit gebleven. In het kader van deze nieuwsbrief vind ik twee voorspellingen erg interessant:
  • Dat technologie steeds meer in je omgeving gaat zitten (hallo Internet of Things) is niet nieuw; wel dat deze tech-omgevingen dan mogelijk met elkaar kunnen gaan communiceren om op deze manier zo goed mogelijk voor ‘hun mensen’ te kunnen gaan zorgen. FROG geeft het voorbeeld van een zelfrijdende auto die ervoor kan zorgen dat bij een aanrijding van achteren de stoplichten van het kruispunt op rood komen te staan, zodat er niet nog meer ongelukken gebeuren. En zo kan ik me nog meer tech-omgevingen voorstellen die interessant zijn om aan elkaar te schakelen. Wat gaat dit opleveren? Een verzorgende tech-wereld die ruimte laat om onze aandacht te besteden aan zaken die écht belangrijk voor ons zijn? Zeker is in elk geval dat onze technologie hier misschien al klaar voor is, maar de beveiliging ervan nog lang niet

frog-augmented-audio

  • Weet je nog dat ik schreef over hoe cyborgantropoloog Amber Case pleit voor ambient awareness: technologie die in plaats van ons overvolle visuele blikveld, gebruik gaat maken van onze andere zintuigen om met ons te communiceren? Nou, de ontwikkeling van Audio User Interface (zoals FROG het proces beschrijft waarbij notificaties via je oren binnen gaan stromen) zou hiervoor wel eens interessant kunnen zijn (of een regelrechte nachtmerrie als ze het niet gaan afstemmen op een relatieve schaal van aandacht) . WIRED heeft het trouwens in hun vooruitblik van techtrends over Aural Augmented Reality waarmee ‘real-time’ bijvoorbeeld een vertaling van het Japans naar Nederlands kan plaatsvinden of je jezelf een perfecte gitaarpartij à la Slash hoort spelen terwijl je loopt te stuntelen. Maar buiten deze ‘trucjes’ kun je het ook gebruiken om geluiden uit te filteren, je aandacht te focussen en zo meer mindful te zijn volgens de voorstanders van AAR.

Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.

Linda Stone – Essential Self i.p.v. Quantified Self technologie

Vind je het niet gek dat als we het hebben over de invloed van technologie, we het zelden hebben over ons lichaam? Volgens de denker van de week, Linda Stone, hangen ons denkvermogen en aandacht niet alleen onlosmakelijk samen met ons gebruik van onze technologie, maar wordt dit ook indirect gemedieerd door hoe onze technologie onze lichaamshouding en ademhaling beïnvloedt en wij ons hele lichaam vergeten. 
Stone, die jarenlang hoge posities binnen Apple en Microsoft bekleedde, kwam door observaties in haar eigen leven tot haar inzichten. Opeens merkte ze dat ze tijdens het lezen van haar email vaak haar adem inhield, en ging ze op basis daarvan onderzoeken wat dit voor consequenties kon hebben. En toen ze in 2004 na een operatie aan haar kaak getroffen werd door trigeminal neuralgia, een chronische – vaak grote – pijn van je kaak tot aan je hersenen, werd ze zich er pas van bewust hoezeer technologie gericht is op gezondheid – en dan vooral analytische concepten van wat gezondheid zou moeten zijn – in plaats van de wijsheid die al in het lichaam verscholen zit. Tijd om die wijsheid weer een goede plek te geven in onze relatie met technologie! 

Essential Self i.p.v. Quantified Self technologie

quantified-self-essential-self
Wat we nodig hebben om in te tappen in de wijsheid die ons lichaam ons te bieden heeft bij het verbeteren van onze relatie met technologie, is ’Essential Self Technology’, een verbastering van Quantified Self technology – het bijhouden van je gedrag d.m.v. technologie.
De Quantified Self beweging ontstond in de late jaren 2000 als een reactie op een gemis: gedrag kon je alleen in een lab meten en dat waren vaak ingewikkelde en dure testen. De eerste generatie QS technologie zoals de Fitbit of Nike Fuelband was daarmee een grote stap voorwaarts: hiermee werden gezondheids- en fitnessdata beschikbaar voor consumenten.
Het probleem met QS technologie is volgens Stone vooral wat het NIET is: het is niet JOU.
QS is all about sensors like scales and accelerometers. These sensors produce numbers; the numbers must be interpreted by your thinking brain; and only then can they inform decisions about your body. It’s all several steps removed from your lived experience.
To put it another way: a fitness-tracking watch can tell you how far you’ve walked today, but it can’t tell you how you feel. What if the self your devices are quantifying isn’t the same person who feels hungry or sated, energetic or tired, happy or sad? What if it isn’t your essential self? And why are we collecting all this data, anyway? Is it helping us bring meaning into our lives?
Volgens Stone moeten we dus van Quantified Self naar Essential Self technologie gaan:
“that pure sense of presence”—what our bodies are telling us about our experience in the physical world right now, without displays and readouts and spreadsheets in the way.“
En dat betekent dus bijvoorbeeld wel een meter die je ademhaling in de gaten houdt, maar dat vervolgens niet verwerkt tot een prestatie waar je vooruitgang op kunt maken en kunt vergelijken met anderen.
Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.

Linda Stone: Zet je lichaam in i.p.v. tirannieke technologie

Vind je het niet gek dat als we het hebben over de invloed van technologie, we het zelden hebben over ons lichaam? Volgens de denker van de week, Linda Stone, hangen ons denkvermogen en aandacht niet alleen onlosmakelijk samen met ons gebruik van onze technologie, maar wordt dit ook indirect gemedieerd door hoe onze technologie onze lichaamshouding en ademhaling beïnvloedt en wij ons hele lichaam vergeten. 
Stone, die jarenlang hoge posities binnen Apple en Microsoft bekleedde, kwam door observaties in haar eigen leven tot haar inzichten. Opeens merkte ze dat ze tijdens het lezen van haar email vaak haar adem inhield, en ging ze op basis daarvan onderzoeken wat dit voor consequenties kon hebben. En toen ze in 2004 na een operatie aan haar kaak getroffen werd door trigeminal neuralgia, een chronische – vaak grote – pijn van je kaak tot aan je hersenen, werd ze zich er pas van bewust hoezeer technologie gericht is op gezondheid – en dan vooral analytische concepten van wat gezondheid zou moeten zijn – in plaats van de wijsheid die al in het lichaam verscholen zit. Tijd om die wijsheid weer een goede plek te geven in onze relatie met technologie! 

Zet je lichaam in i.p.v. tirannieke technologie

dog-temptation
Nu Stone bekend is geworden door haar onderzoek naar aandacht en technologie, vragen veel mensen haar om advies hoeveel tijd ze dan voor een scherm moeten doorbrengen of hoeveel pauze ze moeten nemen. Dit is haar advies:
My response is always the same: How do you feel? Your body is wiser than your mind in these matters.The challenge is, most of us, especially those engaged with technology in some way, tend to favor the inclinations of the mind. The mind, for many of us, is often tyrannical towards the body.
Het probleem is volgens Stone dat we onze gebroken relatie rondom aandacht met technologie proberen te verbeteren door ons (gezond) verstand in te zetten. Een veel gebruikte methode is bijvoorbeeld het inzetten van programma’s als Freedom of RescueTime die tijdelijk bepaalde websites of toegang tot de wifi blokkeren, kortom: verleidelijke afleiding blokkeren.
Volgens Stone heb je daarmee wellicht een tijdelijke oplossing om productief te zijn, maar verbeter je daarmee niet op diepere wijze je relatie met technologie. Je leert niets over wanneer of hoe je aandacht aan je ontsnapt en past dezelfde dwang toe als wanneer je je er op wilskracht doorheen zou sleuren:
[..] With technologies like Freedom, we take away, from our mind, the role of tyrant, and re-assign that role to the technology. The technology then dictates to the mind. The mind then dictates to the body. Meanwhile, the body that senses and feels, that turns out to offer more wisdom than the finest mind could even imagine, is ignored.
Wat we nodig hebben volgens Stone is dus conscious computing: technieken en technologie die ons bewust maken van ons lichaam, waardoor we kunnen zien hoe we reageren op bijvoorbeeld email en daarnaar kunnen handelen. Zolang we even machine-achtig met onszelf blijven omgaan als onze technologie dat met ons doet, gaat er niets fundamenteels veranderen.
Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.

Linda Stone – Altijd aan: hoeveel tijgers bestrijd jij op een dag?

Vind je het niet gek dat als we het hebben over de invloed van technologie, we het zelden hebben over ons lichaam? Volgens de denker van de week, Linda Stone, hangen ons denkvermogen en aandacht niet alleen onlosmakelijk samen met ons gebruik van onze technologie, maar wordt dit ook indirect gemedieerd door hoe onze technologie onze lichaamshouding en ademhaling beïnvloedt en wij ons hele lichaam vergeten. 
Stone, die jarenlang hoge posities binnen Apple en Microsoft bekleedde, kwam door observaties in haar eigen leven tot haar inzichten. Opeens merkte ze dat ze tijdens het lezen van haar email vaak haar adem inhield, en ging ze op basis daarvan onderzoeken wat dit voor consequenties kon hebben. En toen ze in 2004 na een operatie aan haar kaak getroffen werd door trigeminal neuralgia, een chronische – vaak grote – pijn van je kaak tot aan je hersenen, werd ze zich er pas van bewust hoezeer technologie gericht is op gezondheid – en dan vooral analytische concepten van wat gezondheid zou moeten zijn – in plaats van de wijsheid die al in het lichaam verscholen zit. Tijd om die wijsheid weer een goede plek te geven in onze relatie met technologie! 

Altijd aan: hoeveel tijgers bestrijd jij op een dag?

parcel-attention

Stone heeft naast email apneu nog een andere term bedacht waarmee ze bekend is geworden: continuous partial attention.
Continuous partial attention. is an always on, anywhere, anytime, any place behavior that creates an artificial sense of crisis. We are always in high alert. We reach to keep a top priority in focus, while, at the same time, scanning the periphery to see if we are missing other opportunities, and if we are, our very fickle attention shifts focus. What’s ringing? Who is it? How many emails? What’s on my list? What time is it in Beijing?
Ook dus weer zo’n permanente stress-staat waardoor we in een continue “fight or flight” beweging zitten. Een mechanisme dat geweldig handig is als je door een tijger achterna wordt gezeten. Maar hoeveel van de emails die jij krijgt op een dag zijn echt een tijger?
Continious partial attention moet je trouwens niet verwarren met multitasken. Als we multitasken zijn we gemotiveerd door een verlangen om meer productief en efficiënt te zijn – een redelijk bewuste intentie dus – en doen we vaak dingen die maar weinig cognitieve ruimte innemen en grotendeels automatisch gedaan kunnen worden. Multitasken is dus taakgericht en eindig.
Bij continious partial attention ben je gemotiveerd door een verlangen altijd verbonden te zijn. “We want to effectively scan for opportunity and optimize for the best opportunities, activities, and contacts, in any given moment. To be busy, to be connected, is to be alive, to be recognized, and to matter.” Continious partial attention is dus diffuus, emotioneel en inderdaad: altijd.
Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.

Linda Stone – Email apneu: de ziekte die jij ook hebt

Vind je het niet gek dat als we het hebben over de invloed van technologie, we het zelden hebben over ons lichaam? Volgens de denker van de week, Linda Stone, hangen ons denkvermogen en aandacht niet alleen onlosmakelijk samen met ons gebruik van onze technologie, maar wordt dit ook indirect gemedieerd door hoe onze technologie onze lichaamshouding en ademhaling beïnvloedt en wij ons hele lichaam vergeten. 
Stone, die jarenlang hoge posities binnen Apple en Microsoft bekleedde, kwam door observaties in haar eigen leven tot haar inzichten. Opeens merkte ze dat ze tijdens het lezen van haar email vaak haar adem inhield, en ging ze op basis daarvan onderzoeken wat dit voor consequenties kon hebben. En toen ze in 2004 na een operatie aan haar kaak getroffen werd door trigeminal neuralgia, een chronische – vaak grote – pijn van je kaak tot aan je hersenen, werd ze zich er pas van bewust hoezeer technologie gericht is op gezondheid – en dan vooral analytische concepten van wat gezondheid zou moeten zijn – in plaats van de wijsheid die al in het lichaam verscholen zit. Tijd om die wijsheid weer een goede plek te geven in onze relatie met technologie! 

Email apneu: de ziekte die jij ook hebt

email-apnea

Email apnea – a temporary absence or suspension of breathing, or shallow breathing, while doing email.
In 2008 schreef Stone voor het eerst in dit stuk in de Huffington Post over de aandoening waar volgens haar pakweg 80 % van technologie-gebruikers aan lijdt: email apneu. Het inhouden van je adem, en vooral: het niet goed uitademen.
We forget to exhale. It’s the exhale that contributes to the reduction of the stress response and the heightening of the relaxation response. More breathing, less chronic stress and less compulsive consuming.
Hoe wordt dit veroorzaakt? Nou, bekijk jezelf eens hoe je deze nieuwsbrief leest. Grote kans dat je voorovergebogen op je scherm geplakt zit.
Our posture is often compromised, especially when we use laptops and smartphones. Arms forward, shoulders forward, we sit in a position where it’s impossible to get a healthy and full inhale and exhale. Further, anticipation is generally accompanied by an inhale — and email, texting, and viewing television shows generally includes a significant dose of anticipation. Meanwhile, the full exhale rarely follows.
Hoewel Stone het email apneu heeft genoemd, vindt dit niet alleen plaats bij email, maar ook bij videogames, het lezen van je twitterfeed etc. Wanneer er schermpjes involved zijn dus.
Maar wat maakt dat adem inhouden – of dus eigenlijk: niet diep genoeg uitademen – nu eigenlijk uit? Nou, best veel volgens Stone. We komen namelijk eigenlijk in een permanente stress-staat doordat je jezelf vol energie pompt – klaar voor actie – maar die vervolgens nergens naartoe gaat:
“Shallow breathing, breath-holding and hyperventilating trigger the sympathetic nervous system, in a “fight or flight” response. […] The activated sympathetic nervous system causes the liver to dump glucose and cholesterol into our blood, our heart rate to increase, our sense of satiety to be compromised, and our bodies to anticipate and resource for the physical activity that, historically, accompanied a physical fight or flight response. Meanwhile, when the only physical activity is sitting and responding to email, we’re sort of “all dressed up with nowhere to go.”
Kortom: het devies bij het verbeteren van je relatie met technologie is dus eigenlijk heel simpel (in theorie dan): leer beter te ademen, door je neus, waarbij je ervoor zorgt dat je twee keer zolang uitademt als dat je inademt. Wil je meer aandacht? Adem.

Dit bericht komt uit m’n wekelijkse nieuwsbrief ‘CTRL, ALT, DELETE’ waarin ik elke week onderzoek hoe we een betere relatie kunnen krijgen met onze tech. Herontwerp van ons tech én van onszelf: hoe doe je dat? Ook de nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je hier in.