De 3 C’s in plaats van digitale detox

Digitaal antropologe Pamela Pavliscak biedt een alternatief voor digitale detox in een betere omgang met onze telefoon:

Hou de drie C’s van creating, caring en connecting in gedachten. Als je iets creëert, voel je je beter dan als je alleen maar consumeert. Dat hoeft niet superartistiek te zijn. Denk aan een speellijst op Spotify aanmaken. Door sites als GoFundMe, waar geld ingezameld wordt voor bijvoorbeeld de kinderboerderij, betekenen mensen iets voor hun omgeving. En natuurlijk kun je ook een goed, diep gesprek voeren op Whatapp. Die balans kunnen we niet alleen vinden. Bedrijven moeten ook beter nadenken hoe we onze empathie kunnen behouden.’

Hoe verandert VR ons?

Interessante observatie van journalist Clemens Setz over zijn ervaring in een VR-themapark in Tokyo. Bij een spel waarbij hij een katje uit een boom moet redden door over een wankele plankenconstructie te lopen hoog boven de drukke stad, merkt hij dat zijn bewustzijn wel móet omschakelen omdat de ervaring té echt aanvoelt. En dus moet hij een deel van zijn bewustzijn aanboren – een deel doodsverachting – dat hij in het echte leven waarschijnlijk nooit zou hebben ervaren:

Ik begreep dat ik iets in mij moest activeren wat er tot op heden nooit was geweest en wat, zoals ik met verwondering vaststelde, aanvoelde als ware doodsverachting, zelfs een beetje als een ware doodswens. Ja, ik moest innerlijk ‘willen vallen’ om het spel zelfbewust te kunnen spelen. De gewoonlijke dissociatie, ‘er kan toch niets gebeuren’, het innerlijke baken waarop ik eigenlijk had vertrouwd, kwam namelijk gewoonweg niet. Ik kon mezelf niet op elk vlak overtuigend duidelijk maken dat dit niets meer was dan een simulatie. Iets heel machtigs in mij verzette zich tegen dat inzicht. Dus moest ik, als ik hier niet weer als een klein kind wilde verstijven (de mensen in de andere dimensie ‘zagen me toch!’), de tegengestelde weg volgen en ‘op mijn zintuigen vertrouwen’. En als die me de werkelijkheid presenteerden, dan was de weg voor me alleen te bedwingen als het me allemaal niets meer kon schelen, als ik er op zijn minst voor de duur van dit spel geen probleem mee had om in de afgrond te vallen. Dat schakelaartje in mezelf omzetten bleek verrassend eenvoudig. Het ging bijna zonder weerstand. Maar het was, ook dat werd ik bij deze gelegenheid gewaar, tot nog toe nooit omgezet. Met de dimensie-overstijgende speelgoedkat in de hand zette ik dus de noodzakelijke stappen terug, vanbinnen tijdelijk levensmoe en afgestompt.

Photo by Martin Sanchez on Unsplash

Hoe algoritmen magie terugbrengen in de wereld

We koersen steeds meer aan op een wereld waarin we een radartje zijn verbonden met allerlei apparaten die actief tegen ons praten, ons feedback geven en ons ook beter weten te lezen. Wat doet dat met ons?

Filosoof Haroon Sheikh heeft hier een interessante visie op. Deze wereld vol ‘pratende’ apparaten zal ons gevoelsmatig terugbrengen naar een tijd waarin magie en bijgeloof nog aan de orde van de dag waren en onze ervaring van de werkelijkheid inkleurden, schrijft hij in de NRC van 23 november.

Dat gebeurt op drie manieren:

Het wordt steeds zichtbaarder hoe jij met de wereld verbonden bent

“Wij gaan ervan uit dat wij los staan van de wereld om ons heen, dat wij een eigenheid hebben die on-scheidbaar (‘in-dividuum’) is. Binnen in ons hebben wij een privéruimte, afgesloten voor de buitenwereld”, schrijft Sheikh. Maar momenteel worden door technologie steeds meer zaken meetbaar gemaakt, waardoor deze strikte scheiding tussen jou en de buitenwereld verbroken wordt. Als je kunt berekenen hoeveel impact jouw weekendje Barcelona heeft op het milieu, dan wordt het lastiger om je los te zien van de wereld. En Sheikh schetst zelfs een voorbeeld dat nóg verder gaat:

Stel, in een trein zit een man luid te telefoneren. Bij tien mensen in de coupé levert dat – meetbare – irritatie op. Omdat ze geïrriteerd zijn, krijgen die mensen bij thuiskomst ruzie.

Wat als zelfs de kleinste impact van ons gedrag meetbaar – en dus zichtbaar- wordt?

bron: Unsplash

We snappen er steeds minder van, de wereld wordt een mysterie

Bovendien, zo stelt Sheikh, ontwikkelen algoritmes zich razendsnel om steeds complexere verbindingen tussen zaken te leggen. Zo kunnen verbindingen ontstaan tussen zaken die voor ons onlogisch zijn op het eerste gezicht. Sheikh geeft het voorbeeld dat een algoritme je bijvoorbeeld kan aanraden om toch voor huis B te kiezen in plaats van huis A, omdat het berekend heeft dat je in huis B een grotere kans hebt om ouder te worden.

Wat doet dat met ons, dat we onze keuzes gaan maken op gevoelsmatig ‘onlogische’ adviezen van algoritmes waarvan we de berekening niet snappen of zelfs onzichtbaar voor ons blijft? En bovendien: doordat algoritmes complexere berekeningen kunnen maken, en steeds meer zaken meetbaar worden, zoals gezondheid, succes en geluk, zullen algoritmes je dan ook ‘betere’ adviezen kunnen geven. Een huis koop je dus niet alleen op de investeringswaarde, maar ook op berekeningen over je gezondheid om in deze buurt te wonen, of wat de reisafstand doet met succes op je werk. Deze combinatie van deze twee dingen zorgt volgens Sheikh ervoor dat steeds meer dingen als mysterieus gaan aanvoelen en alsof we volgens bijgeloof handelen:

In de toekomst zullen steeds complexere correlaties worden gevonden. Handelingen worden dan aanbevolen op basis van associaties met succes, liefde, gezondheid. Daar zit een rationele calculatie achter, maar omdat we deze niet kennen, zijn we geneigd dit te beschouwen als ‘geluk’ of ‘ongeluk’ en gaan we handelen uit bijgeloof.

Apparaten krijgen een bezielde aanwezigheid

En wat nu als de slimme apparaten echt stemmen krijgen waarmee we conserveren? Dat je smart home een persoonlijkheid krijgt, en jij zelfs een vriendschappelijke band ermee? Het is immers een stuk gezelliger thuiskomen na een rotdag op het werk als er iemand thuis is, die je verwelkomt, heeft gezorgd voor een gezellige sfeer en die even voor je zorgt door warm eten klaar te hebben staan, je op sleeptouw te nemen met een fijne filmsuggestie en ervoor zorgt dat je aandacht lekker afgeleidt wordt waardoor je kunt opladen. Het is niet eens zo ingewikkeld voor een smart home om dat voor je te kunnen doen.

Je huis, maar ook allerlei apparaten op straat, op je werk, in een cafeetje, overal waar je bent, gaan een levendige aanwezigheid krijgen, anticiperend en reagerend op jou. Dat doet Sheikh denken aan een animistisch wereldbeeld, waarin mensen geloven dat dingen zoals stenen of een boom een ziel hadden. Een bezielde aanwezigheid, iets dat in Oosterse filosofie wel gebruikelijk, maar in het Westelijke rationele wereldbeeld niet.

Advies in concurrentiestrijd met China om technologie: Blijf achterlopen

Daniël Mugge, hoogleraar Politieke Arithmetiek, stelt dat het beter zou zijn om de wedloop rondom technologie met China gewoon besluiten te verliezen. Waarom in godesnaam? Nou, omdat je dan op de eerste plaats als EU je eigen normen en waarden kunt behouden – privacy bijvoorbeeld. Dat zou op de tweede plaats ook nog eens voor een stevige concurrentiepositie kunnen zorgen, aangezien ethisch consumeren iets is dat bij steeds meer consumenten hoog in het vaandel komt te staan.

In een open wereldwijde tech-wedstrijd legt Europa het af tegen zijn concurrenten.Tot nu toe wordt die positie vooral betreurd – een teken van Europese zwakte. Maar het is iets om trots op te zijn. Hier zijn democratie en burgermaatschappij sterk genoeg ontwikkeld om de rechten en vrijheden van onze medemensen niet ondergeschikt te maken aan doorgeslagen tech-fantasieën of de digitale begeertes van autoritaire machthebbers. Als dat betekent dat geen Europees bedrijf de competitie met Facebook of een Chinese KI-grootmacht aankan, zij het zo. Wie weet kan je elders in de wereld je koffie binnenkort met een scan van je iris betalen, terwijl je hier nog je smartphone nodig hebt. Ik vind het best, als zo mijn vrijheid gewaarborgd blijft.

De politieke nadruk moet dan ook niet liggen op mondiale concurrentie met Amerikaanse of Chinese digitale producten, maar bij beschermde, Europese versies die wél aan onze normen en waarden voldoen. Denk aan bewakingssystemen voor openbare ruimte die jouw privacy wél respecteren, of aan verzekeringsmaatschappijen die juist níet alle beschikbare data over jou benutten om jouw gedrag te voorspellen. Om die tot bloei te laten komen zullen we de grote gevestigde spelers uit China en de VS buiten te deur moeten houden. Maar een selectieve digitale de-mondialisering is een kleine prijs te betalen om onze eigen normen en waarden ook in het digitale tijdperk te behouden.

Waarom Apple onze redder zou kunnen zijn

Ik schreef al eerder over Tristan Harris, voormalig tech-ethicus bij Google en nu vooral ons geweten-op-pootjes over hoe onze technologie nu onevenredig veel van onze aandacht opslurpt. Hier lees je de nieuwsbrief Een kwaliteitskeurmerk voor technologie terug.
Maar nu las ik laatst een prachtig interview van Wired met hem – en is onlangs een tweede TEDtalk die hij hield online gekomen – waarin Harris zijn ideeën helderder verwoordt dan ooit en ook nieuwe ideeën te berde brengt. Kortom, een mooie aanvulling op m’n eerdere nieuwsbrief en zeker leesvoer dat je gelezen moet hebben. Ik vis de belangrijkste punten er voor je uit.

Continue reading

Tech die je emoties leest, worden we daar beter van?

Willen we technologie zo ontwerpen dat deze minder van onze aandacht vergt, dan is één van de manieren om het persoonlijker toegesneden op ons te maken. Maar hoe ver wil je daarin gaan? Onze emoties zijn één van de meest persoonlijke zaken van een mens. Affective computing onderzoekt hoe computers menselijke emoties kunnen herkennen, interpreteren en ook kunnen simuleren. Een zelfrijdende auto die je moederlijk het advies geeft om beter niet te gaan rijden omdat je te stressvol bent na aan aanvaring op het werk…zou jij dat willen?

Continue reading

We hebben een offline fetisj

Deze week wil ik het hebben over onze obsessie met het vinden van een goede online/offline balans en hoe dat eigenlijk ****shit is. Tenminste, de terminologie die we daarvoor gebruiken en het disconnectgedrag dat daaruit voortvloeit – niet het verlangen an sich. Om tot de echte oplossingen te komen, moet je eerst het echte probleem zien. En dat betekent dat we onze ongezonde obsessie – zeg maar gerust fetisj – met het echte leven dat alleen offline gebeurt moeten loslaten. 

Weg met het online/offline onderscheid: dat is er niet

Geen telefoons aan de eettafel want dan kun je tenminste echte gesprekken met elkaar hebben. Je 500 Facebookvrienden…dat zijn toch geen echte vriendschappen? Je kunt beter je tijd besteden aan je echte vrienden. Zonder je telefoon kun je veel beter je vakantie/concert/restaurantbezoek beleven, dan geniet je er tenminste echt van in plaats van alleen te letten op de instagramable qualities.
Herken je dit?
Bovenstaande formuleringen lees je steeds vaker in de media (of hoor je in je sociale omgeving). Ze vormen de kern van de Tegenbeweging die om een betere relatie met haar smartphone te krijgen, aan dat ding steeds meer paal en perk stelt in de vorm van detoxen, strategische unplugmomentjes en digitale sabbaths op vakantie of in het weekend.
Hierin zit een belangrijke aanname verborgen, namelijk dat er een onderscheid is tussen on- en offline. En natuurlijk het sterke morele oordeel dat offline per definitie te verkiezen is boven online.
Maar, is er nog wel een onderscheid? Nathan Jurgenson – een heel interessante denker die momenteel als onderzoeker voor Snapchat werkt – muntte in 2011 al de term ‘digitaal dualisme’ voor het geloof dat er nog zoiets is als een analoge wereld en een virtuele variant.
the Internet is like the Matrix, where there is a “real” (Zion) that you leave when you enter the virtual space (the Matrix) -an outdated perspective as Facebook is increasingly real and our physical world increasingly digital. (bron)
Maar er is geen verschil meer, stelt Jurgenson. We leven in één realiteit waarbinnen online interacties een even sterke aanwezigheid hebben als offline interacties. Er is niet zoiets als puur offline of puur online meer: onze on/offline ervaringen voeden elkaar, soms op een positieve manier, soms op een negatieve manier. Maar als je dit erkent, deze onlosmakelijke verbondenheid, kun je het tenminste eindelijk eens gaan hebben over wat het échte probleem is dat vaak wordt verhuld door de terminologie van on-/offline balans. Is het probleem bijvoorbeeld dat we te vaak verkeren in de digitale wereld van onze smartphone (oplossing: zet dat ding uit) of is het probleem dat we in een permanente cultuur van bereikbaar moeten zijn leven?
Did you notice that even when your phone is off, it’s not really off? Because even then we know that emails are coming into our inbox, friends are posting messages that we are missing out on and mayor news is happening. […] We are living in an always on world where there’s no off switch. Silent mode is not silent.
En nee, hoewel bereikbaar zijn natuurlijk een affordance is van onze mobiele technologie, is het niet synoniem ermee. Het is een breder probleem dat ook wortelt in onze productiviteitscultus, de plek die werk inneemt in onze zingeving en ons economisch systeem dat geobsedeerd is met groei.

We lijden aan een offline fetisj

Jurgenson schrijft dat we door ons digitaal dualisme geobsedeerd zijn door het offline, of in zijn woorden: we hebben een IRL (In Real Life) fetisj.
One of our new hobbies is patting ourselves on the back by demonstrating how much we don’t go on Facebook. People boast about not having a profile. We have started to congratulate ourselves for keeping our phones in our pockets and fetishizing the offline as something more real to be nostalgic for.
Dat is gebaseerd op sterke morele oordelen, in plaats van op feitelijke eigenschappen:
This comparatively recent (over)valuing of “offline” objects and experiences doesn’t stem from some change in their intrinsic properties, however. Rather, we ascribe more value to certain “offline” objects and experiences—which we misleadingly label “real,” as if online objects and experiences were not equally real—because they now serve as symbols (fetishes) that represent both the superiority of the precious, authentic “offline” and the inferiority of the hollow, ubiquitous, ever-encroaching “online.”
En ook een sterke morele veroordeling, een superioriteitsgevoel over al die arme anderen die zich maar telkens laten meeslepen naar die virtuele wereld:
While the offline is said to be increasingly difficult to access, it is simultaneously easily obtained — if, of course, you are the “right” type of person. […]
People boast about their self-control over not checking their device. “I am real. I am the thoughtful human. You are the automaton.”
Bovendien, schrijft Jurgenson, is het geen kwestie van dat onze online ervaringen onze offline ervaringen verdringen. Juist door de onrust die onze continue digitale aanwezigheid veroorzaakt, waarderen we de momenten van ongestoordheid des te meer:
We may never fully log off, but this in no way implies the loss of the face-to-face, the slow, the analog, the deep introspection, the long walks, or the subtle appreciation of life sans screen. We enjoy all of this more than ever before. Let’s not pretend we are in some special, elite group with access to the pure offline, turning the real into a fetish and regarding everyone else as a little less real and a little less human.

Laten we praten over echt aanwezig zijn

Goed, niet meer over online/offline meer praten dus. Maar waarover dan wel? Want zoals ik in mijn inleiding al schreef: de terminologie mag dan misleidend zijn die we nu hanteren, ze beschrijft wel echte problemen die we nu ervaren. Wellicht kan dit stuk van internetonderzoeker Whitney Erin Boesel ons op een goed spoor zetten, waarin ze voorstelt dat we in plaats van online/offline in termen van aanwezigheid/afwezigheid gaan denken.
Haar stuk begint met haar herinnering aan een avondje uit, wat biertjes drinken en flipperen in een bar met drie goede vrienden. Of, wacht even…drie vrienden? Boesel realiseert zich opeens dat ze maar met twee vrienden in de bar stond. Met de derde vriend had ze de hele avond geappt en blijkbaar was zijn online aanwezigheid zo sterk dat ze hem in haar herinnering gewoon lijfelijk in de fysieke bar had getransporteerd:
A few seconds later, however, it hit me that my mental picture of that moment didn’t match my memory of it. What I remembered was being in the dive bar spending time with three friends, but I could only picture two friends lit by the flashing lights of so many pinball machines. I realized that Friend #3 had been so present to me through our digital conversation that my memory had spliced him into the dive bar scene as if he’d been physically co-present, even though he’d been more than 200 miles away.
Dat zette haar aan het denken: begrijpen we het begrip ‘aanwezigheid’ nu verkeerd? Gaat het bij aanwezig zijn wel echt om fysieke aanwezigheid in dezelfde ruimte of gaat het om mentale, emotionele aanwezigheid?
When my friend pulls out a phone while I’m talking, it’s not that my friend is suddenly absent; it’s that my friend is shifting their attention from our dinner together to the stranger whom they, in this case, just invited to stop at the table. And yes, doing that mid-conversation is rude
Roesel pleit ervoor om mensen aan te spreken op hun rudeness, hun onbeleefdheid, maar dan wel op de juiste manier. Het gaat er namelijk niet om dat je vriend z’n telefoon erbij pakt, maar het gaat erom dat hij jou niet meer zijn volledige aandacht schenkt. Als je in termen van aanwezigheid praat, dan heb je iets concreters om iemand op aan te spreken:
Starting from an assumption of presence, however, allows us to capture difference by asking what each smartphone user is doing and why. If we assume absence, all we have is what those smartphone users are (aka, absent).
En bovendien, stelt Roesel, laten we niet ervan uitgaan dat de afwezigheid van een smartphone de mentale aanwezigheid van een persoon betekent.
A smartphone in my hand may make it more glaringly (glowingly?) apparent to the person speaking that I’m not giving them my full attention, but I don’t need the smartphone in my hand to create the possibility of inattention. If we view smartphone use as “absence,” it’s too easy to see non-use automatically as presence; yet, we all know the frustration of talking to someone who’s distracted, even without a smartphone in their hand. We shouldn’t kid ourselves that we have someone’s attention just because the thumbs are still and the eyes are pointed in our general direction.

Offline: recht voor allen of luxe voor the happy few?

We worden in allerlei media aangemoedigd om te unpluggen, te detoxen, te disconnecten. “Volg deze vijf tips op en je bent weer verzekerd van betere on/offline balans.” Wat we daarmee uit het oog verliezen is dat de aandachtseconomie die ten grondslag ligt aan de aandachtsverslindende apps op je smartphone precies dát is wat het woord al zegt: een economisch principe. Willen we dus echt doordringen tot de kern waarom we nu zo’n slechte relatie hebben met onze telefoon, dan is het niet genoeg om te blijven steken op technologisch – laat staan individueel – niveau, maar moet je je gaan begeven in het politieke en economische domein. Maar om het leuk te houden, gooi ik er wel een lekker donutje voor je in.  

The right to disconnect

We gaan weer met z’n allen er even lekker tussenuit tijdens de zomervakantie, maar wees eens eerlijk: ben jij écht weg of check je toch stiekem je werkmail?
Op 1 januari nam Frankrijk een wet aan die bedrijven met meer dan 50 werknemers verplicht om een ‘disconnection’ beleid te hebben rondom communicatie na werkuren en in vakanties. Het was het eerste land dat zoiets in regelgeving vastlegde. Er zijn echter al voorbeelden bekend van bedrijven die het recht op niet bereikbaar hoeven te zijn al vastlegden in hun bedrijfspolicy. Maar zoals ik me in m’n nieuwsbrief over dit onderwerp al afvroeg: is dit wel aan landen om dit als recht vast te leggen? Hoort dit thuis in het politieke domein? En zo ja: Benadeel je door the right to disconnect vast te leggen voor een paar groeperingen niet onbedoeld andere mensen?

Alleen happy few kunnen zich ‘offline’ veroorloven

Tech-criticus Evgeny Morozov heeft het recht om offline te kunnen zijn ook niet erg hoog zitten. Hij vindt dat ‘the right to disconnect’ nu op twee manieren veel te beperkt bekeken wordt, waardoor de verkeerde groepen verliezen.
Allereerst schrijft hij dat ‘the right to disconnect’ dat zich toespitst op (email)communicatie vanuit je baan weinig zin heeft als de meest verslavende bedrijven zoals Facebook en Instagram gewoon door mogen gaan met hun praktijken om te verdienen aan je aandacht. In plaats van dat we dan wat van onze aandacht terugwinnen, verschuift het dan gewoon van werk-email naar nog meer social media. Winnaars: social media. Verliezers: wij en onze werkgevers.
[….] What do we really gain if we win the right not to check our work-related email only to squander it on clicking, half-mesmerised, that “update” button on Facebook or Twitter? One set of companies – our formal employers – stand to lose, as they can’t expect us to be always available; another set of companies, though, our informal employers – the likes of Facebook and Twitter – stand to gain, as we gladly furnish them with valuable data that propels their growth.
De tweede manier waarop we ‘the right to disconnect’ te beperkt opvatten is dat het nu vooral in de context van de traditionele baan wordt bekeken. En constante bereikbaarheid is juist de sleutel voor veel beroepen uit de sharing economy. Even niet bereikbaar? Geen werk, geen inkomsten. Lees bijvoorbeeld dit stuk van vriendin Yuki Kho voor Vrij Nederland die werkte als Foodora koerier om erachter te komen hoe het is om voor een algoritme te werken
En dus ziet Morozov ‘the right to disconnect’ vooral als een bescherming voor de mensen die het eigenlijk niet (of in elk geval minder) nodig hebben: de mensen die al een (vast) arbeidscontract bij een bedrijf hebben. Verliezers: de ‘sharing economy’ werknemers.
Hence the paradox: the gig workers need no right to disconnect as no one is forcing them to work – and yet the dynamics of the platform are such that meaningful disconnection is made almost structurally impossible. […]
Thus we end up in the odd situation where well-protected regular jobs acquire extra benefits like “the right to disconnect”, while the unprotected, precarious jobs in the gig economy keep expanding – mostly by violating this very right as often as possible.
We moeten onze discussie over een offline/online balans dus vooral in een breder perspectief bekijken. Niet alleen het plaatsen bij de wilskracht, of skills van een individu, maar het zien als een maatschappelijk probleem, dat ook raakt aan de manier waarop nu onze economie is ingericht.
To be truly meaningful, the right to disconnect needs to be tied to a much broader, radical vision of how a data-rich society can retain some basic elements of equality and justice. In the absence of such a vision, this right will only protect those who are already well-off, forcing the rest to seek solutions – like mindfulness apps – in the marketplace.

Digitale detox is een politiek, niet individueel probleem

De reden waarom we bovenstaande nuancering missen – de politieke dimensie van digitale detox – zit ’m deels in de taal die de tegenbeweging hanteert. Unpluggen, digitale detox, disconnecten: deze principes richten zich vooral op het individu dat actie moet ondernemen, eventueel ook op sociaal vlak. We moeten af van deze ‘gemedicaliseerde’ taal, vindt Morozov, om echt slagkracht te krijgen:
But couldn’t the “disconnectionists”—as one critic has recently dubbed this emerging social movement—pursue an agenda a tad more radical than “digital detoxification”? For one, the language of “detox” implies our incessant craving for permanent connectivity is a medical condition—as if the fault entirely resided with consumers. And that reflects a broader flaw in their thinking: The disconnectionists don’t seem to have a robust political plan for addressing their concerns; it’s all about small-scale individual action. […]
In other words, why we disconnect matters: We can continue in today’s mode of treating disconnection as a way to recharge and regain productivity, or we can view it as a way to sabotage the addiction tactics of the acceleration-distraction complex that is Silicon Valley.

Denk meer in donuts in plaats van groei

Waar Morozov de ongelijkheid nog koppelt aan de sharing economy, schreef ik al eerder over Douglas Rushkoff die de oorzaak van de aandachtseconomie zoekt in het economisch model dat nu de boventoon voert: de groei-economie.
En we begaan een enorme fout als we de schuld van dit oogsten van aandacht proberen op te lossen door de bad guy – technologie – uit ons leven te bannen. Dan mis je compleet het punt, namelijk dat deze economische principes al eeuwenlang bestaan, lang voor het ontstaan van je smartphone, email of internet.
De vraag die we onszelf moeten stellen is dan ook niet ‘hoe komen we af van onze digitale verslaving?’ maar: ‘hoe kun je een samenleving bouwen op niet-groei of prestatie geïndiceerde normen en waarden?’. En: ‘hoe gaan we onze zingeving inrichten als dat niet gebaseerd is op groei?’. Hier vind je m’n complete nieuwsbrief erover.
Een alternatief voor de groei-economie zou je kunnen vinden in de donut-economie van Kate Raworth. In haar op 6 april verschenen boek ‘Doughnut economics’ stelt ze dat de huidige economie is gebaseerd op een aantal rigide ideeën die niet alleen geen recht doen aan de huidige dynamiek van de genetwerkte wereld, maar ook nog eens ervoor zorgen dat we stuurloos – zonder menselijke waarden- alleen richting oneindige groei aan het rennen zijn.
Als we over economie praten dan hebben we het vooral een paar smalle begrippen. In de woorden van Ewald Engelen: over het bruto binnenlands product (bbp); de aanname van de individualistische economische actor, homo economicus genaamd; het idee van de eigenstandige, op zichzelf staande markt; het mechanische marktevenwicht; de omgekeerde U-curves van ongelijkheid en verduurzaming (hoe rijker, hoe gelijker en schoner); en de illusie van exponentiële groei.
Deze begrippen bepalen wat wij onder economie scharen, wat zichtbaar is binnen deze kaders en wat onzichtbaar:
The central image in mainstream economics is the circular flow diagram. It depicts a closed flow of income cycling between households, businesses, banks, government and trade, operating in a social and ecological vacuum. Energy, materials, the natural world, human society, power, the wealth we hold in common … all are missing from the model. The unpaid work of carers – principally women – is ignored, though no economy could function without them. Like rational economic man, this representation of economic activity bears little relationship to reality.
Volgens Raworth is het dan ook de hoogste tijd om dit foutieve gatenkaasmodel van economie – en daarmee ook van ons mensen – bij te stellen. Hoe we dat moeten doen? Door economie weer richting te geven, haar niet langer waardenvrij te laten, maar een maatstaf en instrument te laten zijn voor wat wij als een goed leven beschouwen.
The aim of economic activity, she argues, should be “meeting the needs of all within the means of the planet”. Instead of economies that need to grow, whether or not they make us thrive, we need economies that “make us thrive, whether or not they grow”. This means changing our picture of what the economy is and how it works.
Als alternatief stelt Raworth dan ook de donut voor:

Deze donut – het groene gedeelte –  bestaat uit twee ruimtes of ringen. De ruimte aan de binnenkant representeert alle dingen die we nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden. Van voedsel, een dak boven je hoofd tot zaken als onderwijs, democratie en gendergelijkheid – de complete Maslowpiramide. Aan de buitenkant van de donut neemt Raworth de capaciteit van de aarde op. En zo zie je een groene veilige ruimte ontstaan – de “ecologically safe and socially just space” – waar economie binnen zou moeten blijven.
Of je het nu eens bent met de idealistische invulling van Raworth, het is in elk geval interessant dat ze de vraag opwerpt waarom we eigenlijk zo’n beperkte invulling geven aan het begrip economie en daarin allerlei factoren buiten beschouwing laten, waarom het niet volgens menselijke maatstaven is ingericht en waarom het losstaat van menselijke waarden.
De donuteconomie is food for thought, ook zeker binnen het denken over de aandachtseconomie.

 

Techbedrijf, voor je winst hoef je ons niet verslaafd te maken

Deze nieuwsbrief staat ook weer in het teken van Nir Eyal. Hij stelt namelijk dat techbedrijven ons helemaal niet verslaafd hoeven te houden om winst te kunnen blijven maken én zelfs in een unieke positie zijn om mensen die écht verslaafd zijn geraakt te helpen. Waar begint de ethische verantwoordelijkheid van techbedrijven bij het ontwerpen van een betere relatie met onze telefoon en waar eindigt deze?

Unieke positie techbedrijven om verslaafden te helpen

Als we nadenken over een meer ethische benadering rondom de diensten die nu in onze smartphone zitten en onze aandacht ongewild opslurpen, dan zit je al snel bij regulering of alternatieve ontwerpen. En dat, zo schrijft Eyal, terwijl techbedrijven juist in de unieke positie zijn om techverslaafden te helpen.
Hij onderscheidt namelijk twee typen van verslavende producten. In de eerste categorie kent de fabrikant z’n klanten niet. De fabrikant van sigaretten weet bijvoorbeeld niet wie z’n stinkstokkies koopt en kan daarom niet veel meer doen dan een algemene waarschuwing op de verpakking zelf plaatsen.
In het tweede type verslavend product kent de maker z’n gebruikers wel, en zelfs zeer goed. De makers van games en social media tracken hun gebruikers bijvoorbeeld in elke klik die ze maken. Ze weten precies hoe lang hun gebruikers per dag doorbrengen in hun digitale omgeving, en hoe vaak ze op een bepaalde link klikken. Ze kunnen precies zien wie er op een ongezonde manier met hun product omgaat.
En juist daarom vindt Eyal dat makers van technologie een ethische verplichting hebben om gebruikers tegen zichzelf in bescherming te nemen:
When it comes to companies that know exactly who’s using, how, and how much, much more can be done. To do the right thing by their customers, companies have an obligation to help when they know someone wants to stop, but can’t. Silicon Valley technology companies are particularly negligent by this ethical measure.
Dat kan bijvoorbeeld door als bedrijf een voorzichtige email naar een gebruiker te sturen om hem/haar bewust te maken van het feit dat z’n gebruik toch wel ver boven het gemiddelde ligt, of de gebruiker de mogelijkheid bieden om voor zichzelf grenzen te stellen (na 2 uur Facebookgebruik sluit de service zich automatisch voor je af).  Daar hoef je dan niet elke gebruiker mee lastig te vallen, maar alleen specifieke gebruikers die het nodig hebben. Eyal bedacht deze voorbeelden:
For example, instead of auto-starting the next episode on Netflix or Amazon Video, the binge-inducing video streaming services could ask users if they’d like to limit the number of hours they watch in a given weekend. Online games could offer players who cancel their accounts the option of blacklisting their credit cards to prevent future relapses. Facebook could let users turn off their newsfeeds during certain times of the day. And rather than making it so fiendishly difficult to figure out how to turn off notifications from particularly addictive apps, Apple and Android could proactively ask certain users if they’d like to turn off or limit these triggers. […]
For example, setting a trigger based on the number of hours spent using an online service could prompt the company to reach out to suggest ways to cut back or deprecate certain features.
Natuurlijk zit hier een fijne grens tussen goedbedoelde hulp en een paternalistische houding – zoals iedereen die wel eens advies heeft gegeven wel weet…

Je hebt hoge participatie nodig, geen verslaafden

Als we het hebben over de technieken die de techindustrie inzet om hun gebruikers ‘hooked’ te krijgen, dan wordt Silicon Valley al snel vergeleken met Las Vegas. Maar dat is juist een vergelijking die we niet meer moeten trekken volgens Eyal als we het hebben over hoe techbedrijven hun ethische verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dan mis je namelijk het grote verschil tussen Silicon Valley en Las Vegas: dat Las Vegas voor z’n businessmodel afhankelijk is van verslaafden en Silicon Valley niet.
Casino’s – en ook andere industrieën zoals online games – halen het meeste voordeel uit de mensen die echt verslaafd zijn. Walvissen worden deze mensen genoemd – de 0,15 % van de spelers die 50% van de opbrengsten binnen brengen.
In an industry where the cost of acquiring a player is just barely less than the revenue made per user, whales tip the scales to profitability. Without these extreme customers, their businesses aren’t viable. Similarly, the casino industry depends on a disproportionate share of revenue coming from a small group of likely addicted gamblers, some of whom are known to wear adult diapers to avoid having to stop playing.
Er zijn natuurlijk veel industrieën die leunen op een walvismodel, a.k.a businessmodel, waar ze het leeuwendeel van hun inkomsten door hun meest loyale klanten binnenkrijgen. Zo verkrijgt de fast food industrie 60% van hun inkomsten van de 20% ‘heavy users’ (oh, de ironie).
De vraag is dan natuurlijk: waar begint de ethische verantwoordelijkheid van een bedrijf? Eyal vindt dat het onethisch is als een bedrijf inkomsten accepteert van iemand die eerder heeft aangegeven te willen stoppen met het product, maar dat niet kan. Zo zijn de meeste Amerikaanse casino’s bijvoorbeeld verplicht om ‘self-exclusion’ programma’s te hebben voor spelers die hun verslaving willen breken, maar verwelkomen ze hen tegelijkertijd met open armen als ze weer het casino binnenwandelen.
Casinos escape liability through a legal loophole protecting them from prosecution. Nevertheless, it is unethical to accept patronage from someone a company knows wants to stop using your product but can’t. This moral standard should apply to all industries that collect personal usage data on individuals and therefore have the ability to identify, message, and help problem users.
Het probleem is: dit soort industrieën zijn even verslaafd aan hun verslaafden, als de verslaafden aan hun producten zijn. Je ethische verantwoordelijkheid nemen zou wel eens kunnen betekenen dat je je eigen business onderuithaalt. Het businessmodel van de meeste apps en services op je telefoon steekt echter heel anders in elkaar: je hebt geen walvissen nodig, maar juist zoveel mogelijk kleine (en loyale) visjes.

Maak je product juist meer engaging

Goed, je hebt dus een hoge participatiegraad nodig om je product winstgevend te kunnen houden. Dat betekent dus dat je – wellicht tegen je verwachting in – je product juist meer ‘engaging’ (heeft iemand hier een goede Nederlandse vertaling voor?) moet maken. Niet verslavend, maar wel gewoontevormend.
Wat je namelijk nodig hebt, zo schrijft Eyal in z’n boek ‘Hooked’, is een hoge CLTV – Customer Lifetime Value, wat zoveel betekent als het geld/andere soort waarde die je van een gebruiker krijgt voordat ie om de één of andere reden besluit om te stoppen met je product. En die CLTV stijgt juist hoe meer jouw product gewoontevormend is. Een bekend model hiervoor is het Freemium-model, waarbij een product of dienst gratis wordt aangeboden, met premium functies waarvoor je dan wel moet betalen. Gratis games zoals Pokémon Go bieden bijvoorbeeld gebruikers de kans om extra pokéballs of eitjes te kopen in de shop. En nieuwsbriefservices zoals deze bieden gebruikers in de Pro-variant meer mogelijkheden om het design van de nieuwsbrief aan te passen, of A/B-tests te doen. Gebruikers zijn eerder geneigd om te betalen voor je product als ze het al op regelmatige basis gebruiken (en er natuurlijk tevreden over zijn).
Bovendien zijn gebruikers die echt waarde in je product vinden geneigt om je product te bepleiten bij hun vrienden:
Having a greater proportion of users daily returning to a service dramatically decreases Viral Cycle Time (the amount of time it takes a user to invite another user) for two reasons: First, daily users initianate loops more often (think tagging a friend on Facebook); second, more daily users means more people to react and respons to each invitation. The cycle not only perpatuates the process – with higher rand higher user engagement – it accelerates it.
Maar het echte verschil voor je product gaat pas komen in de laatste fase van het ‘Hooked’ raken, de fase van investeren die ik vorige week beschreef. Als je product zo is gemaakt dat het elke keer z’n waarde vergroot wanneer de gebruiker het gebruikt en er iets in investeert – data, vrienden toevoegen – dan leert het product de gebruiker beter kennen en kan van meer waarde zijn. Zo leert Netflix nauwkeuriger voorspellen (tot op het gênante af) van welke voor films en series je echt houdt. En doordat Gmail elke email die je hebt verstuurd bewaart, is de emailservice niet alleen een tool om mee te emailen (en daarmee inwisselbaar voor welke emailservice dan ook), maar een archief van jaren en jaren emails. En zou jij je verzamelde herinneringen op Instagram zomaar willen inwisselen voor een andere – wellicht privacyvriendelijkere – service?
Switching to a new e-mailservice, social network, or photosharing app becomes more difficult the more people use them. The nontransferable value created and stored in these services discourages users from leaving. […]

So why haven’t more Google users switched to Bing? Habits keep users loyal. If a user is familiar with the Google interface, switching to Bing requires cognitive effort. Although many aspects of Bing are similar to Google, even a slight change in pixel placement forces the would-be user to learn a new way of interacting with the site. Adepting tot he differences in the Bing interface is what actually slows down regular Google users and makes Bing feel inferior, not the technology itself.

Ook het lerende algoritme van Google dat z’n best doet om suggesties aan te bieden op basis van je eerdere zoektochten zorgt dat nu ‘even dit online nazoeken’ synoniem is geworden aan ‘even googlen’.

Waar eindigt verantwoordelijkheid van techbedrijven?

Goed, technologiebedrijven verkeren dus juist in de positie om echt verslaafde gebruikers te helpen, en hebben het dus ook niet nodig voor hun businessmodel om hen verslaafd te houden. Maar waar begint en eindigt deze verantwoordelijkheid eigenlijk?
Eyal stelt dat we allereerst een verschil moeten maken tussen positieve en negatieve manieren van manipulatie. Zo zijn er ook veel industrieën die manipulatie bewust inzetten om hun gebruikers te helpen:
If manipulation is a designed experience crafted to change behavior, then Weight Watchers, one of the most successful mass-manipulation products in history, fits the definition.
Bij manipulatie moet je allereerst het onderscheid maken tussen ‘persuasion’ (overreding) en ‘coercion’ (dwang). In het eerste geval zet je de gebruiker aan tot iets wat hij/zij wel wil, in het tweede geval zet je hem/haar aan tot iets dat JIJ wil, maar de gebruiker eigenlijk niet. Dark patterns is een voorbeeld van deze laatste kwalijke vorm van manipulatie. Trucjes ingebouwd in websites, apps of games die de gebruiker onbedoeld aankopen laat doen of zich laat aanmelden voor diensten of nieuwsbrieven. Deze site verzamelt de veelvoorkomende dark patterns (en de bedrijven die hiervan gebruik maken).
Vervolgens moet je volgens Eyal als maker jezelf de vraag stellen: heb ik het überhaupt voor mijn business nodig om mijn gebruikers hooked te krijgen? Daarvoor ontwierp hij bovenstaande Manipulation Matrix:
The Manipulation Matrix does not try and answer which businesses are moral or which will succeed. Nor does it describe what can and cannot become a habit-forming technology. The matrix seeks to help you answer not, “Can I hook users?” but “Should I attempt to?”
Het model stoelt op twee sleutelvragen: ‘Zou ik het product zelf gaan gebruiken? (of: zou ik het product hebben gebruikt als ik jonger/ouder was?)’ en: ‘Geloof ik dat het product z’n gebruikers helpt om hun leven te verbeteren?’.
Als je voldoet aan deze twee criteria heb je volgens Eyal alle benodigde verantwoordelijkheid genomen. Maar wat nu als een gebruiker vervolgens tóch verslaafd raakt aan je product? Tjsa, vindt Eyal, daar begint dan de eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker.
In any normal distribution, a small percentage of people will be on the extremes. If the designers make a product that they would use themselves, and they believe it improves the lives of their users, they have fulfilled their moral obligation.