Voel je je continu te druk? Dat komt omdat jouw tijd handelswaar is geworden

Druk! Dat is het welbekende antwoord op de vraag hoe het gaat. Maar druk met wat precies? En vooral: voor wie eigenlijk? Filosoof Thijs Lijster stelt in zijn boek ‘De grote vlucht inwaarts’ dat we steeds meer moeten proppen in onze tijd:

Een van de grote problemen van deze tijd is de tijd zelf, meer in het bijzonder de versnelling van en het tekort aan tijd. Vraag een willekeurig iemand hoe het met hem of haar gaat, en grote kans dat het antwoord luidt: ‘Druk!’. Zoals de Duitse socioloog Hartmut Rosa zegt. wordt het alledaagse leven, zowel tijdens werk als in vrije tijd, tegenwoordig gekarakteriseerd door een ‘retorica van het moeten’,: ik moet nog zoveel e-mails beantwoorden, ik moet die nieuwe tentoonstelling in het Stedelijk nog zien en dat dikke boek van Piketty nog lezen, ik moet meer tijd doorbrengen met mijn gezin, en ik moet voor ik sterk de Chinese Muur nog zien (het fenomeen van de ‘bucketlist’). Het resultaat is een samenleving van ‘schuldige subjecten’, die het gevoel hebben achter de feiten aan te lopen, controle en overzicht over hun leven te verliezen, en massaal te kampen hebben met burnout – en stressklachten. Ondertussen neemt de hoeveelheid zelfhulpliteratuur over onthaasting, slow-bewegingen en ‘het zoeken van je eigen ritme’ gestaag toe.

Waardoor komt dat? Doordat we leven in een tijd waarin stilstaan geen optie meer is. Innovatie en (zelf)verbetering, continue vooruitgang, dat is het devies:

Maar wat als vernieuwing en verandering zelf een bron van maatschappelijke onrust worden? Moet alles en iedereen tegenwoordig niet ‘snel’ en bovenal ‘innovatief’ zijn, van de ondernemer tot de academicus, van telefoons tot waspoeders, van lesmethodes tot financiële producten? […] innovatie en groei zijn nog altijd de kardinale deugden va deze tijd.

Nu, stelt Lijster, is het van belang dit niet alleen op te merken, maar vooral je af te vragen, wie er eigenlijk belang bij heeft dat continue gejaag en gejakker?

Tijd is in onze voortrazende wereld een schaars goed geworden, en het is dan ook een natuurlijk uitvloeisel van de kapatalistische logica dat de hoogste bieder erover kan beschikken. Zoals Jonatha Crary schrijft in 24/7, zijn pamflet over de 24-uurseconomie: ‘Eén van de de oppervlakkige maar indringende truïsmen van de klassenmaatschappij is dat de rijken nooit hoeve te wachten, en dit voedt het verlangen om. overal waar mogelijk, dit specifieke privilege van de elite na te streven’. In de nabije toekomst zal dit verschil alleen maar toenemen: wie genoeg geld heeft, hoeft niet in de rij te staan voor de kassa (want laat zijn boodschappen bezorgen), op een wachtlijst te staan voor een operatie of verzorgingstehuis (want gaat naar een privékliniek), of in de file te staan (want neemt de helicopter). […] De bovenklasse heeft niet zozeer meer tijd, maar beschikt over de macht om de tijd vorm te geven, te manipuleren, om zijn tempo te bepalen.

Onze tijd is dus inmiddels iets geworden waar geld aan verdiend wordt. Handelswaar. En hoewel (tijds)druk een probleem is, waar iedereen mee zit, is heeft de bovenklasse twee voordelen. Allereerst heeft ze dus meer middelen waarmee ze die tijdsdruk te lijf kan gaan en zo een schijnbaar voordeel. Ik zeg schijnbaar omdat iedereen die met to do lijstjes werkt weet dat ze zich net zo snel weer weten te vullen, ook al heb je machtigere middelen ter beschikking om ze te lijf te gaan. Ook de elite is slaaf van ons vooruitgangsdenken, tenzij die tredmolen wordt gestopt. Maar het tweede voordeel dat Lijster benoemt is prangender:

Terwijl onderdrukking traditioneel juist bestond in het vasthouden van bestaande maatschappelijke structuren, zien we tegenwoordig de opkomst van onderdrukking door verandering; verandering waar de mondiale elite van profiteert terwijl ze de onderklasse in chaos stort; verandering die bovendien steeds als noodzakelijk wordt gepresenteerd […]

Hoe nu hieruit te ontsnappen? Lijster waarschuwt voor een te makkelijke oplossing te zoeken in die fijne meditatieapp of een slow evening inlassen. Dit verhult het probleem, in plaats van dat het het oplost:

Maar net zomin zou zij zich moeten laten verleiden tot oproepen om te ‘onthaasten’, en zich zo aan de zijde scharen van de mindfulness- en slowbewegingen. […] Ze verhult immers de belangen die schuilgaan achter de versnelling, verandering en verdeling van de tijd, en doet voorkomen dat stress en haast persoonlijke problemen zijn waarvoor een individuele oplossing mogelijk is.

De echte oplossing, zo stelt Lijster, zit ‘m erin dat we onze tijd weer gaan terugclaimen, net als onze data en privacy.

Daarom komt het er allereerst op aan om de tijd, net als de geschiedenis, te beschouwen as iets wat wij collectief vormgeven en verdelen. De tijd behoort met andere woorden, net als natuurlijke bronnen als water en zonlicht en kunstmatige bronnen als informatie, kennis en cultuur, tot de commons, het gemeenschappelijke domein dat niemand zich als privébezit zou moeten mogen toe-eigenen. Natuurlijk gebeurt dat op grote schaal wel degelijk met bovengenoemde natuurlijke en kunstmatige bronnen. Er is in onze tijd een grootschalige enclosure of the commons (onteigining van het gemeenschappelijke) gaande, net zoals in de achttiende eeuw onder andere in Groot-Brittanië het geval was, waar gemeenschappelijke akkers, bossen en graasweiden tot privébezit verklaard werden.

 

Advies in concurrentiestrijd met China om technologie: Blijf achterlopen

Daniël Mugge, hoogleraar Politieke Arithmetiek, stelt dat het beter zou zijn om de wedloop rondom technologie met China gewoon besluiten te verliezen. Waarom in godesnaam? Nou, omdat je dan op de eerste plaats als EU je eigen normen en waarden kunt behouden – privacy bijvoorbeeld. Dat zou op de tweede plaats ook nog eens voor een stevige concurrentiepositie kunnen zorgen, aangezien ethisch consumeren iets is dat bij steeds meer consumenten hoog in het vaandel komt te staan.

In een open wereldwijde tech-wedstrijd legt Europa het af tegen zijn concurrenten.Tot nu toe wordt die positie vooral betreurd – een teken van Europese zwakte. Maar het is iets om trots op te zijn. Hier zijn democratie en burgermaatschappij sterk genoeg ontwikkeld om de rechten en vrijheden van onze medemensen niet ondergeschikt te maken aan doorgeslagen tech-fantasieën of de digitale begeertes van autoritaire machthebbers. Als dat betekent dat geen Europees bedrijf de competitie met Facebook of een Chinese KI-grootmacht aankan, zij het zo. Wie weet kan je elders in de wereld je koffie binnenkort met een scan van je iris betalen, terwijl je hier nog je smartphone nodig hebt. Ik vind het best, als zo mijn vrijheid gewaarborgd blijft.

De politieke nadruk moet dan ook niet liggen op mondiale concurrentie met Amerikaanse of Chinese digitale producten, maar bij beschermde, Europese versies die wél aan onze normen en waarden voldoen. Denk aan bewakingssystemen voor openbare ruimte die jouw privacy wél respecteren, of aan verzekeringsmaatschappijen die juist níet alle beschikbare data over jou benutten om jouw gedrag te voorspellen. Om die tot bloei te laten komen zullen we de grote gevestigde spelers uit China en de VS buiten te deur moeten houden. Maar een selectieve digitale de-mondialisering is een kleine prijs te betalen om onze eigen normen en waarden ook in het digitale tijdperk te behouden.

We verwachten teveel van shrinks: dat gelukkig worden moet je zelf doen (of beter nog: leren loslaten)

Psychiater Damiaan Denys stelt in een interview op Brainwash als voorproefje van zijn nieuwe boek “Het tekort van het teveel” dat we steeds meer investeren in geestelijke gezondheidszorg, maar dat desondanks we steeds ongelukkiger worden. Zijn verklaring? We zien onszelf en ons geluk als een maakbaar project, iets dat we voor elkaar zouden moeten kunnen fröbelen, al dan niet met behulp van een psycholoog of psychiater. Graag 1 receptje geluk graag!

‘Als we de psychiatrie willen redden, moet ze kleiner worden. De psychiatrie is een discipline van de geneeskunde die zich bezighoudt met de diagnose en behandeling van psychische stoornissen. We hebben daar veel te hoge verwachtingen van. We willen dat behandelaars ons helpen om gelukkig te worden, gezond te blijven en veerkrachtig te worden. Daar heeft een psychiater helemaal niet voor geleerd en dat kán hij ook helemaal niet. We komen naar een behandelaar en zeggen: ‘Help mij, los het op!’ Daar is de psychiatrie niet voor bedoeld, en dat is maar goed ook. Stel je voor dat het wel zo zou zijn, dan word je geboren en wordt er voor het leven een psychiater aan je gekoppeld. Sommige dingen in het leven kun je beter zelf doen.’

Waarom Apple onze redder zou kunnen zijn

Ik schreef al eerder over Tristan Harris, voormalig tech-ethicus bij Google en nu vooral ons geweten-op-pootjes over hoe onze technologie nu onevenredig veel van onze aandacht opslurpt. Hier lees je de nieuwsbrief Een kwaliteitskeurmerk voor technologie terug.
Maar nu las ik laatst een prachtig interview van Wired met hem – en is onlangs een tweede TEDtalk die hij hield online gekomen – waarin Harris zijn ideeën helderder verwoordt dan ooit en ook nieuwe ideeën te berde brengt. Kortom, een mooie aanvulling op m’n eerdere nieuwsbrief en zeker leesvoer dat je gelezen moet hebben. Ik vis de belangrijkste punten er voor je uit.

Continue reading

VR doesn’t make you more empathetic

Virtual Reality wordt wel de empathiemachine genoemd, een tech die enorme kracht heeft om ons meer empathisch te maken. Maar Paul Bloom betwijfeld dat in dit artikel voor The Atlantic:

The problem is that these experiences aren’t fundamentally about the immediate physical environments. The awfulness of the refugee experience isn’t about the sights and sounds of a refugee camp; it has more to do with the fear and anxiety of having to escape your country and relocate yourself in a strange land. Homeless people are often physically ill, sometimes mentally ill, with real anxieties about their future. You can’t tap into that feeling by putting a helmet on your head.  Nobody thinks that going downtown without your wallet will make you appreciate poverty—why should these simulations do any better?

One specific limitation of VR involves safety and control.  During the debates over the interrogation practices of the United States during the Iraq war, some adventurous journalists and public figures asked to be waterboarded, to see what it was like. They typically reported that it was awful. But in fact their experience fell far short of how terrible actual waterboarding is, because part of what makes waterboarding so bad is that you get it when you don’t want it, by people who won’t stop when you ask them to. Safety and control transform unpleasant experiences into loads of fun, which is why we pay to play war games and have paintball battles, get frightened by shrieking maniacs in a haunted house, or engage in certain masochistic sexual activities.

Then there is duration. It’s not hard to try out certain short-term experiences, such as dealing with a crying baby for a few minutes, sitting alone in a closet, or having strangers gawk at you on the street. But you can’t extrapolate from these to learn what it’s like to be a single parent, a prisoner in solitary confinement, or a famous movie star. You can’t take an event of minutes and hours and generalize to months and years.

Why not? One consideration is that some experiences are fine in the short-term, but wear you down over time. Solitary confinement is an obvious example here. Or consider subtle forms of sexual and racial discrimination—certain seemingly minor attacks on one’s dignity are easy to shrug off in any single instance, but if they are repeated and relentless, they can lead to anxiety and depression.

Een nieuwe taal voor data die iedereen begrijpt

Uit een reportage van Marjolein van Trigt voor Vrij Nederland ‘Neem een kijkje in de Black Box’ waarin ze beschrijft hoe we weer grip kunnen krijgen op onze data. Ze citeert o.a. Jonathon Morgan die pleit voor een Data Science Exchange Protocol waarmee iedere leek data kan begrijpen.

Hoe krijgen gewone mensen meer macht over data? Op de meest recente editie van technologiefestival Border Sessions in Den Haag pleitte Jonathon Morgan voor een nieuwe taal voor data, een zogenaamd Data Science Exchange Protocol. Zoals alle webpagina’s in HTML zijn opgemaakt, zo zou er één taal moeten zijn die alle data beschrijft. Dat zou niet-technici beter in staat stellen om te snappen welke informatie machines verwerken en om zelf kennis te halen uit data.

‘Zonder de menselijke context hebben we niets aan data,’ zegt Morgan. ‘Maar het is fundamenteel verkeerd om op technici te vertrouwen om die context aan de data toe te voegen. Dus wil ik gewone mensen een manier geven om grote datasets te doorzoeken.’

In zijn presentatie maakt Morgan de vergelijking met videogames. ‘De gamingindustrie is erin geslaagd om hele werelden te creëren die in feite vrij gelimiteerd zijn, maar niet zo aanvoelen voor de speler. Datawetenschappers doen alsof we experts nodig hebben om ons door de wereld van big data te leiden. Maar ik denk dat we heel goed in staat zijn om systemen te ontwerpen waaruit gewone mensen kennis kunnen destilleren.’

Nog steeds zie je als gebruiker van een dergelijk systeem alleen de uitkomst, niet de gegevens die het systeem buiten beschouwing laat. Morgan: ‘Klopt. Ik zou willen beargumenteren dat het voor de meeste mensen niet uitmaakt. Evenmin weet je hoe de gamedesigner je spel manipuleert en of je GPS je werkelijk de snelste route voorschotelt. In de meeste gevallen is het desondanks oké om het systeem beslissingen voor je te laten nemen.’