Waarom dubbeltjes nooit kwartjes worden

Wat als het nooit mogelijk is om een meer eerlijke samenleving te creëren omdat je sociaal-economische positie al vastligt bij je geboorte? Ik schreef voor Stadsleven ‘De oneerlijke stad’ een blog over de verborgen oneerlijkheid van deze tijd: je genen.

Oneerlijkheid, een thema dat sinds een jaar hoog op de economische agenda staat én in de media flink wordt bediscussieerd. Het ene na het andere baanbrekende werk over verdeling van inkomsten en vermogen verschijnt – de Franse econoom Thomas Piketty wordt inmiddels als rockster betiteld door TegenlichtWaar eerst de overtuiging heerste dat de vrije markt iedereen geeft waar hij/zij recht op heeft, wijzen nu vele rapporten en onderzoeken van de Wereldbank, het IMF en de OESO op de gevaren van ongelijkheid. En ook op het niveau van de stad wordt druk getwist over wat oneerlijkheid en daarmee eerlijkheid in zou houden: van woningmarkt, tot etnische ongelijkheid, tot zzpers die benadeeld zouden worden, tot een groeiende digitale kloof die mogelijk tot ongelijkheid leidt. 

Hoewel de discussie dus al flink op gang gekomen is, blijven er oneerlijkheden die zich zover onder het oppervlakte afspelen dat ze buiten beeld blijven, terwijl ze grote invloed hebben. Zo blijkt waar je wiegje heeft gestaan belangrijker dan we denken. Privilege is het woord dat je niet mag zeggen – zeker niet in een land als Nederland waar je de burgemeester vrolijk bij z’n voornaam begroet als ie langsfietst-  maar wél speelt.

Waar je wiegje staat bepaalt je succes in het leven

De laatste weken circuleert de strip On a plate. A short story about privilege van Thomas Morris op het internet waarin hij op pijnlijke wijze duidelijk wordt dat het gezin waarin je geboren bent en de kansen die uit deze sociaal-economische positie voortvloeien van veel grotere invloed zijn dan met hard werken van jezelf of je ouders jezelf omhoog proberen te krijgen op de maatschappelijke ladder.

On a Plate. Thomas Morrs

Fragment uit ‘On a plate. A short story about privilege’. Lees de complete strip hier: http://deadstate.org/youll-never-see-privilege-the-same-way-again-after-looking-at-this-comic/

Al eerder was de MCJob index bekend, een onderzoek dat de lonen van McDonalds medewerkers vergelijkt. Werknemers van MCDonalds hebben over de hele wereld precies dezelfde werkzaamheden, maar worden er niet gelijk voor beloond. In 2007 verdiende een Amerikaanse werknemer van McDonald’s 7,33 dollar per uur. Een Chinees verdiende in dat jaar slechts 81 cent per uur. Voor hetzelfde werk kreeg de Amerikaan dus een loon dat negen keer hoger lag dan dat van de Chinees, een verschil dat zelfs met koopkrachtcorrectie nog een flinke kloof is.

Sociale status is net zo erfelijk als lichaamslengte

Dit brengt het begrip van meritocratie, het maatschappijmodel waarin de sociaal-economische positie van het individu gebaseerd is op z’n verdienstem, flink aan het wankelen. Als je je lot in eigen handen kunt nemen, waarom zou je dan je druk maken over ongelijkheid van inkomen of vermogen? Om Rutger Bregman en Jesse Frederiks uit hun essay Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers te citeren:

Het gaat er niet om dat iedereen gelijk is. Het gaat erom dat iedereen een gelijke kans heeft om hogerop te komen – dat vuilnismannen bankiers kunnen worden. Sociale mobiliteit, niet ongelijkheid, dát is wat telt.

Kortom: meritocratie is het geloof dat een dubbeltje een kwartje kan worden dat stevig in onze samenleving verankert is. Maar wat als blijkt dat dit niet klopt en dubbeltjes altijd dubbeltjes zullen blijven, hoe hard ze ook zullen werken?

Dubbeltje

Foto: Rob van der Pijll

Tegelijk met het werk van Piketty kwam namelijk nog een boek uit over de wetten die oneerlijkheid bepalen. ‘The Son Also Rises. Surnames and the history of social mobility‘ van de Amerikaanse econoom Gregory Clark is vele malen radicaler dan het boek van z’n Franse collega.  Door zeldzame achternamen in de mannelijke lijn eeuwenlang terug te volgen door de geschiedenis heen volgt Clark sociale mobiliteit. En dat leidt tot bizarre feiten.  Wie bijvoorbeeld een achternaam deelt met één van de Normandiërs die Engeland veroverden in de elfde eeuw, heeft nu nog steeds 25 procent meer kans om aan de universiteit van Cambridge of Oxford te studeren. En als je afstamt van de Zweedse adel, dan heb je nog altijd zes keer zoveel kans om in het Zweedse register van advocaten te staan. Behoorden je voorouders tot de elite van de Chinese Qing-dynastie, dan heb je nog steeds een veel grotere kans om topman, professor of bestuurder in het moderne China te zijn.

Naast geld, onroerend goed en ander bezit, is dus nog een veel grotere en belangrijkere erfenis die je ten deel kan vallen: cultuur, netwerken en genen. Oftewel, wederom in de woorden van Bregman en Frederiks:

Onze sociale status is minstens zo erfelijk als onze lichaamslengte. Al eeuwen. Overal. […] De meest fundamentele ongelijkheid is de ongelijkheid van geboorte.

Als je Clarks lijn van denken volgt – en hierbij moet worden opgemerkt dat veel economen z’n bewijsmateriaal nog aan de dunne kant vinden – dan ligt ongeacht welk overheidsingrijpen dan ook gewoon al vast of je een dubbeltje of een kwartje bent. En wie pleit voor een eerlijke wereld waarin mensen vooral op basis van hun prestaties worden beloond, pleit dus voor een door en door ongelijke samenleving (bron).

Uiterlijk is even belangrijk als opleiding

Deze omstreden nieuwe mate van oneerlijkheid dringt langzaam ook door in traditioneel onderzoek. Zo nam het rapport Verschil in Nederland (2014) van het Sociaal Cultureel Planbureau het zogenaamde persoonskapitaal – fysieke, mentale en esthetische kenmerken – mee als maat om oneerlijkheid te meten. Wat blijkt?

Mensen boven en onder aan de ladder van het persoonskapitaal verschillen nogal in de mate van succes in het leven, zoals een hoog inkomen, een hoog functieniveau en een rijk sociaal leven. Cumulatie van (geringe) verschillen in fysiek, mentaal en esthetisch kapitaal zorgt voor vergroting van de afstand tussen deze groepen.

Het onderzoek liet ook zien dat fysiek, mentaal en esthetisch kapitaal een substantiële rol spelen bij de kansen die mensen krijgen in het leven. Op elk van de onderzochte terreinen (lage en hogere functies op de arbeidsmarkt, vriendschap, informele hulpverlening) behoort het esthetisch kapitaal tot de meest verklarende factoren voor de kans op succes of afwijzing. Het belang van mentaal en fysiek kapitaal is eveneens groot, maar meer situatieafhankelijk. Weinig zelfvertrouwen lijkt zeer beperkend voor de arbeidsmarktkansen, maar minder voor een mogelijke vriendschapsrelatie en niet voor de kans op hulp. Lichamelijke beperkingen zijn zeer belemmerend voor de arbeidsmarktkansen, maar veel minder voor het aangaan van vriendschapsrelaties en niet voor het ontvangen van sociale steun. Wat het onderzoek echter ook laat zien, en dat is opvallender, is dat voor de kans op werk uiterlijk en zelfvertrouwen minstens even belangrijk zijn als werkervaring en opleiding.

Het SCP waagt zich aan de vraag wat deze conclusies betekenen voor overheidsbeleid: hoe kun je deze oneerlijkheid bijsturen? In ‘Verschil in Nederland’ wordt gepleit voor een breder gezondheidsbegrip: waar het voor een werkgever of overheid gebruikelijk is om bij te sturen op fysiek kapitaal, moet bevordering van mentaal, en wellicht zelfs esthetisch kapitaal, ook tot de taak van de overheid gaan behoren zodat dubbeltjes toch kunnen opklimmen tot kwartjes.