Hoe bouwen we een eerlijker stad? – Manifest Ewald Engelen

De huidige stad blijkt gebouwd op verschillen. In Stadsleven ‘De oneerlijke stad’ onderzoeken we waar de oneerlijkheden van deze tijd zitten. Financieel geograaf Ewald Engelen schreef samen met Sukhdev Johal, Angelo Salento en Karel Williams een manifest voor het bouwen van een eerlijker stad. Voor Stadsleven vatte ik z’n manifest samen. 

Dat de huidige stad gebouwd is op ongelijkheid mag duidelijk zijn, maar hoe creëer je een eerlijke stad? Aan die vraag wagen Ewald Engelen, Sukhdev Johal, Angela Salento en Karel Williams zich in een manifest dat in september 2014 in The Guardian werd gepubliceerd en later in De Correspondent verscheen. Om een meer eerlijke stad te realiseren moeten er volgens de heren twee zaken worden aangepakt: de huidige beeldtaal rondom de stad veranderen die draait om concurrentie met andere steden in plaats van het toegankelijk maken van stedelijke infrastructuur voor alle inwoners en een grondige wijziging in financieel beleid: stop met het fixeren op herverdelingsproblemen, maar richt je op een fundamentele herorganisatie van stedelijke economie zodat deze zich kan richten op ‘sociale zaken’.

Still uit animatiefilm 'The Just City' van The Lifelong Friendship Society
Still uit animatiefilm ‘The Just City’ van The Lifelong Friendship Society

Het huidige utopische verhaal van de stad

Steden werden volgens de schrijvers van het manifest in de jaren zestig, zeventig en tachtig vooral gezien als plaatsen die werden gekenmerkt door armoede, gettovorming, misdaad, drugs, sociale misstanden, deïndustrialisatie en werkloosheid. Maar sinds begin jaren tachtig is het verhaal veranderd en is het stedelijke steeds meer een antwoord geworden op al onze problemen: “Ze zouden dankzij meer interactie en sociale controle een vijandige omgeving vormen voor misdaad en wetteloosheid, en – door hun hogere dichtheid aan mensen, verbindingen en ideeën – als kweekplaatsen kunnen dienen van creativiteit en innovatie, waardoor de toekomstige economische groei zou worden bevorderd.”

Dat leidt in tijden van economische crisis tot een vreemde paradox:

Hoe erger de zaken begin eenentwintigste eeuw worden, des te meer onze opinieleiders verhalen rondstrooien over de mogelijkheid om economische welvaart te bereiken via competitief succes. Maar tegen de achtergrond van de aanhoudende economische crisis kunnen de politieke klassen in de hogeinkomenslanden tegelijkertijd en zonder pardon eveneens blijven hameren op de noodzaak van bezuinigingen.De twee verhalen vullen elkaar aan, omdat de pijn van het bezuinigen wordt verzacht door de roes van de welvaartsdromen waarin de stad opnieuw wordt vormgegeven.

The just city2
Still uit animatiefilm ‘The Just City’ van The Lifelong Friendship Society

Om de droom van de stad als utopisch welvaartsideaal te verwezenlijken, moeten steden zich richten op concurrentie met andere steden. Hierdoor gaat veel aandacht en tijd zitten in publiek-private partnerschappen en een strategische benadering van de stadspromotie. Iets dat wordt gerechtvaardigd volgens de redenering van de zogenaamde trickle down geography: publieke investeringen in locaties die door de hogere middenklasse worden bezocht zoals universiteitscampussen, museumdistricten en zakenwijken zullen uiteindelijk ook de lagere inkomens ten goede komen door extra werkgelegenheid en belastinginkomsten.

Vroeger waren gemeenten administratieve eenheden die zich bezighielden met sociale woningbouw, transport, onderwijs, de vuilnisophaaldienst, de openbare ruimte en andere nutsfuncties; hun erfgoed bestaat bijvoorbeeld uit sociale woningbouwprojecten als de Gemeinbauten, waarin nog steeds één derde van de bevolking van Wenen woont.

Concurrentie met andere steden zorgt voor ongelijkheid

Een mooie theorie. Maar, zo stellen de schrijvers van het manifest, dit doorsijpelen naar de meerderheid van de burgers werkt niet. Sterker nog: het heeft gezorgd voor een meer oneerlijke stad:

De concurrentie om mobiel kapitaal heeft iedere stad die graag een wereldstad wil worden in een belastingparadijs veranderd, waardoor de reële en nominale belastingtarieven omlaag zijn gegaan en de mondiale rijkdom en inkomensongelijkheid zijn toegenomen. […] Belangrijker nog is dat het succes ongrijpbaar is geweest, sociaal gezien een kleine toplaag ten goede is gekomen en nooit is doorgesijpeld naar de meerderheid van de burgers, zodat die niet kon profiteren van het succes van de stad. De lasten voor de huishoudens zijn daarentegen steeds verder gestegen door de manier waarop grote bedrijven profiteren van – maar nauwelijks bijdragen aan – het behoud en de vernieuwing van de materiële en immateriële infrastructuur van onze steden.

Still uit animatiefilm 'The Just City' van The Lifelong Friendship Society
Still uit animatiefilm ‘The Just City’ van The Lifelong Friendship Society

Richt je op lokale stedelijke infrastructuur voor eerlijke stad

Volgens de schrijvers van het manifest is voor het realiseren van een meer eerlijke stad is een fundamenteel beleidsprogramma nodig dat veel verder gaat dan inkomensherverdeling. Er is een nieuwe beeldtaal nodig: de ‘verankerde stad,’ waarin niet iedere stad een concurrentiestrijd hoeft te voeren met andere steden. In plaats daarvan evalueert de stad eigen activiteiten en richt zich er vervolgens op lokaal relevante verbeteringen aan te brengen.

Het succes van een stad moet niet worden afgemeten aan haar relatieve omvang en haar vermogen om soortgelijke steden de loef af te steken. De graadmeter moet zijn of die stad in staat is alledaagse goederen en diensten te distribueren, die een zo groot mogelijk aantal inwoners een beschaafd leven kunnen bieden.

Still uit animatiefilm 'The Just City' van The Lifelong Friendship Society
Still uit animatiefilm ‘The Just City’ van The Lifelong Friendship Society

In plaats van investeringen in “statusarchitectuur” moeten steden gaan investeren in infrastructuur:

[…] de geprivatiseerde pijpleiding- en kabelnutsbedrijven, samen met de transportsector; een paar van oudsher particuliere activiteiten zoals retail-bankieren, de voedseldetailhandel en voedselverwerking; en sommige van oudsher door de staat geleverde diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen, die nu steeds meer worden uitbesteed aan de particuliere sector. En we moeten bekijken hoe dit alles kan worden gedaan op een verantwoordelijke manier. Bijvoorbeeld door de plaatselijke bedrijvigheid en werkgelegenheid uit te breiden en de kwaliteit van de arbeid te verbeteren.

Door je te richten op wat de schrijvers de ‘fundamentele economie’ van de stad beschouwen, kan er een nieuwe maatstaf worden ontwikkeld. In plaats van ‘betekenisloos te vergelijken’ van de ene stad met de andere – iedere stad heeft immer z’n eigen reeks specifieke behoeften, middelen en mogelijkheden’, kan er een interne, individuele maatstaf worden ontwikkeld: hoe succesvol slaagt de stad erin z’n infrastructuur voor alle inwoners van de stad toegankelijk te maken en hoe draagt het hiermee bij aan een algehele welvaart?

Hier kun je het hele manifest ‘Hoe bouw je een eerlijker stad?’ lezen: deel 1 en deel 2.