De oneerlijkheid van de toekomst: de digitale kloof

De huidige stad blijkt gebouwd op verschillen. In Stadsleven De oneerlijke stad’ onderzoeken we waar de oneerlijkheden van deze tijd zitten. Maar waar zit de oneerlijkheid van de toekomst? In de digitale kloof tussen de mensen die tech-savy zijn en de rest. 

Vorig week kwam het rapport ‘Werken aan de robotsamenleving van de Haagse denktank het Rathenau Instituut uit. Een onderzoek naar de relatie tussen technologie en werkgelegenheid in opdracht van de Tweede Kamer. De aanleiding? De uitspraken van minister Lodewijk Asscher eind september 2014 op het jaarlijkse congres van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Asscher stelde dat robotisering een verwoestende invloed heeft op de werkgelegenheid en extreme ongelijkheid bevordert. Robots zullen volgens hem steeds interessanter zijn voor werkgevers als alternatief voor werknemers omdat ze ‘toegankelijker, betrouwbaarder en goedkoper zijn, 24 uur per dag kunnen werken, nooit ziek zijn, niet zeuren om loonsverhoging en niet staken’.

Still uit de Zweedse televisie-serie 'Real Humans' die de rol van robots in de samenleving onderzoekt. Photo: Johan Paulin

Still uit de Zweedse televisie-serie ‘Real Humans’ die de rol van robots in de samenleving onderzoekt. Photo: Johan Paulin

Technologie zorgt grotere ongelijkheid doordat banen wegvallen

Asscher staat niet alleen in zijn uitspraken. Vorig jaar werd het debat rondom het credo ‘Robots are going to take over your jobs!’ gevoerd in diverse media’. Het debat werd aangezwengeld door het bestseller boek ‘The Second Machine Age‘, van de Amerikaanse hoogleraren aan MIT Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee. ‘Waar eens de machine de handen verving, gaat nu de megabyte het brein vervangen’, stellen ze. ‘Computers en andere digitale vindingen gaan voor onze mentale kracht doen – de vaardigheid van onze hersens om onze omgeving te begrijpen en naar onze hand te zetten – wat de stoommachine en zijn nakomelingen voor spierkracht hebben gedaan.’

Als belangrijke implicatie van deze ‘tweede industriële revolutie’ zien Brynjolfsson en McAfee een grotere ongelijkheid. Een tweedeling tussen mensen die werk doen dat niet door robots gedaan kan worden, en werknemers die werk doen dat wel makkelijk te automatiseren is. En wie zijn hier dan de slachtoffers van? De middenklassebanen. Het Rathenau-instituut schrijft dat automatisering en IT gunstig zijn voor hoogopgeleiden (IT verhoogt namelijk hun productiviteit en biedt nieuwe mogelijkheden), tamelijk neutraal voor laagopgeleiden die locatiegebonden werk verrichten en pakt vooral slecht uit voor middenklassebanen in zowel de industrie als de dienstensector. Technologie zorgt kortom voor baanpolarisatie.

Dit is te ondervangen volgens Brynjolfsson en McAfee door vaardigheden als creativiteit en fijne motoriek aan te leren waar computers slecht in zijn, om de concurrentie aan te kunnen gaan:

‘Er is nooit een betere tijd geweest dan de onze voor werknemers met speciale talenten of de juiste opleiding, want zij kunnen technologie gebruiken om er waarde mee te creëren. Maar er is nooit een slechtere tijd geweest voor werknemers met alledaagse vaardigheden, omdat computers, robots en andere digitale technologieën die vaardigheden in duizelingwekkend tempo onder de knie beginnen te krijgen.’

Ook in het Rathenau-rapport worden een onderscheid gemaakt tussen generieke en specifieke vaardigheden, waarbij aanbevolen wordt om het onderwijs meer in te richten op de generieke. Generieke vaardigheden zijn bijvoorbeeld leren communiceren, leren omgaan met nieuwe informatie, creatief zijn. Specifieke vaardigheden zijn meer toegepast op één activiteit.

Real Humans 3

Still uit de Zweedse televisie-serie ‘Real Humans’ die de rol van robots in de samenleving onderzoekt. Photo: Johan Paulin

Technologie is vooral ontworpen voor hoger opgeleiden

In het rapport wordt nog een andere belangrijke factor aangekaart die mogelijk voor grote ongelijkheid in de toekomst kan zorgen: de digitale kloof.

De huidige technologie is vooral complementair aan en daarom gunstig voor de positie van hoogopgeleiden. Technologie en automatisering maken het voor steeds meer mensen (vooral mensen met een lichte beperking) moeilijk om in de maatschappij te participeren. Zaken als digitaal bankieren, de OV-chipkaart en de online belastingaangifte blijken voor hen te ingewikkeld. Dat komt vaak omdat het belang van de aanbieder centraal staat in plaats van het belang van de gebruiker – de OV-chipkaart is daarvan een voorbeeld.

In Nederland wordt er nog te vaak de schouders opgehaald over de digitale kloof. De meeste mensen in Nederland hebben immers toch toegang tot internet? Maar, zo stelt het Rathenau Instituut, alleen toegang tot het internet is niet voldoende, het gaat erom IT effectief te kunnen gebruiken voor productie van goederen en diensten en daarmee de kost kunnen verdienen, zoals programmeren en 3D-printen. De Europese Commissie wees zelfs in haar Digitale Agenda (2014) erop dat 39 procent van de Europese werknemers te weinig digitale vaardigheden heeft.

Daarom vragen de onderzoekers aandacht voor wat zij een inclusive society noemen: een samenleving waarin technologie zó wordt ontworpen, dat zoveel mogelijk mensen die kunnen gebruiken.

Technologie zet media en politiek buiten spel

Een andere mogelijke ongelijkheid door technologie is een machtsverschuiving naar mensen die wel begrijpen hoe technologie werkt en mensen die de klepel en de klok wel zien, maar niet begrijpen hoe het in elkaar steekt. En dat kan grote gevolgen hebben als hierdoor een machtsmonopolie ontstaat bij tech-bedrijven en controlerende organen als de media en politiek te weinig expertise in huis menen te hebben om hun controlerende functie te kunnen uitvoeren.

In een interview in de NRC over het Rathenau-rapport stelt Melanie Peters, directeur van het Rathenau Instituut, dat ‘politici zich lang niet altijd bij machte voelen om uitspraken te doen over technologische ontwikkelingen’. Het elektronisch patiëntendossier EPD werd heel erg als technologie gepresenteerd, en dan denken politici snel: dan weet ik er misschien te weinig van. Ze denken niet: ‘Het gaat over de rol van artsen, en hun omgang met de patiënt. En daar kunnen we allemaal wel wat van vinden’. Dan verblindt de technologie, ook al gaat het over sociale relaties.”