De moeheid van het continue mogen

Soms heb je het wel eens, dat je lichaam je gewoon compleet tegenzit en je zelfs met de beste wil van de wereld niet kunt voorkomen om een dagje in bed door te brengen. Ik kan me er als ultieme controle-freak altijd gruwelijk aan ergeren en meestal duurt het ook wel een tijdje voordat ik mijn gedwongen beddagje kan accepteren. Vandaag had ik echter het geluk het juiste leesvoer bij de hand te hebben. In ‘De vermoeide samenleving‘ stelt de Koreaanse denker Byung-Chul Han dat mijn ergenis om het falen van mijn lichaam en de frustratie rondom het gedwongen niets-doen voortkomt uit een paradigma-wisseling van Foucaults disciplineringsmaatschappij naar de prestatiemaatschappij.

Han vertrekt vanuit de beroemde analyse van de franse filosoof Michel Foucault waarin hij een samenleving schetst die doordrongen is van disciplinering, waardoor alle inwoners van deze samenleving ongemerkt ook gedisciplineerd worden volgens de regels die de systemen van de samenleving hen opleggen. Han stelt echter dat ‘mensen van nu geen ‘ondergeschikten’  meer zijn maar ‘high potentials’, geen gehoorzaamheidssubjecten, maar prestatiesubjecten. Ze zijn ondernemer van het ik.’ 

Waar Foucaults commando-samenleving dus beheerst werd door een duidelijk mogen en niet-mogen, is het eindeloos kunnen het devies voor de prestatiemaatschappij. En dat heeft grote gevolgen volgens Han: ‘In plaats van verbod, gebod en regulering komen project, initiatief en motivatie. De commandosamenleving werd nog beheerst door het nee; haar negativiteit verwekte krankzinnigen en misdadigers. Maar de prestatiesamenleving baart depressieven en kneuzen.’

De oorzaak hiervan ziet Han in het feit dat het continue ‘moeten’ van de commando-maatschappij blijft bestaan naast het ‘kunnen’ van de prestatiemaatschappijHet kunnen verhoogt het productieniveau dat bereikt is door [..] het imperatief van het moeten.’ Er is dus weliswaar plaats van een paradigma-wisseling, maar wel met de nodige continuïteit. Han stelt dat dit naast elkaar bestaan van het ‘moeten kunnen’ leidt tot zelfuitbuiting, iets dat volgens hem efficiënter is dan de uitbuiting door een ander omdat ‘ze gepaard gaat met een gevoel van vrijheid. Samengevat in één van zijn mooie citaten: ‘De klacht van het depressieve individu: niets is mogelijk, is alleen mogelijk in een samenleving die gelooft: niets is onmogelijk’. 

Het ‘moeten kunnen’ leidt volgens Han bovendien tot ‘hyperactiviteit, de hysterie van arbeid en productie. [..] een wereld die bijzonder arm is aan onderbrekingen, aan tussenruimte en tussentijd. Dit is een wereld die niet alleen tot de nok vol is gepropt met verplichtingen, waar elk moment een potentie tot een actie bevat, maar die ook compleet mechanisch functioneert in de zin dat alles feilloos in elkaar moet overlopen. De mens, en zijn lichaam, verwordt tot ‘niets meer dan een prestatiemachine die storingsvrij dient te functioneren en z’n prestatie dient te maximaliseren’. Han pleit dan ook voor het ontstaan van een tegenhanger van dit ‘viva activa’, waarin continue handeling centraal staat, die hij ziet in een ‘viva contempliva’ waar ruimte komt voor ademruimte, speelruimte en uiteindelijk ook uiteraard denkruimte.

Hij wijst dan ook erop dat ik de kans moet grijpen om mijn gedwongen bed-dagje compleet anders te bezien: De depressieve uitputingsvermoeidheid is een vermoeidheid van de positieve potentie: ze maakt het onmogelijk iets te doen. De inspirerende moeheid is een moeheid van de negatieve potentie, van het niet-doen. [..] Ze zegt niet zozeer wat we nog moeten doen, maar wat we nu kunnen laten.’

En eerlijk is eerlijk: zo geformuleerd voel ik me al een stuk beter, kan ik met een gerust hart nog ietsje dieper onder de dekens kruipen en genieten van het dolce far niente.

Afbeelding: Alexander Timmer

Leave a Reply