DEAF: De kracht der dingen

Waar ligt in de hedendaagse maatschappij nog het onderscheid tussen het levende en het niet levende? Is deze grens nog wel te trekken? Een spannende vraag die het uitgangspunt vormde van  DEAF (Dutch Elektronic Art Festival) met haar thema ‘The Power of Things’.

Waar communicatietechnologie vorm geeft aan ons sociale leven, nanotechnologie verwerkt kan worden in eten dat onze stemming beïnvloedt en kloontechnieken onze lichamen binnendringen, is een verfrissende blik op deze kwesties geen overbodige luxe. Met het centraal zetten van ‘de kracht van de dingen’ trachtte DEAF een nieuw perspectief te bieden dat de mens uit haar centrale positie in het universum stoot en naast (en soms zelfs ondergeschikt aan) de dingen om ons heen plaatst.’

Een dergelijke opvatting is niet nieuw en dat blijkt wel uit het DEAF symposium ‘Vital Beauty’ waar zogenaamde ‘vitalistische’ theorieën worden gepresenteerd. Organisatorisch wordt het de toehoorders niet al te makkelijk gemaakt met lezingenblokken van drie uur en zware filosofische kost, maar het levert wel interessante vernieuwende perspectieven op. Zes denkers, veelal vertegenwoordigd in het gelijknamige boek, presenteren hoe het begrip schoonheid invulling kan krijgen in een kunstvorm die zowel technologisch als natuurlijk van aard is. En hiermee impliciet natuurlijk de kwestie ter discussie stellen waar de waarde ligt van elektronische kunst als deze niet binnen een traditioneel beoordelingssysteem van harmonie, kleurgebruik en proporties past.

Schoonheid is immers een begrip waarvan de invulling continu onder discussie zou moeten staan. Zo ontmantelen Wendy Schneider en Thierry Bardini schoonheid als stabiele eigenschap van een object door het achtereenvolgens als een voortdurend verschuivend machtsspel tussen het ego en de ander neer te zetten en het als een potentieel neer te zetten dat zelfs dingen die wij als junk zouden betitelen kunnen bezitten. Zoals Lars van Spuybroek in zijn lezing uitlegt staat vitale schoonheid, een begrip van origine afkomstig uit de terminologie van de kunstcriticus van de gotiek John Ruskin, voor een vorm van schoonheid die  radicaal verschilt en  vorm als iets levends, natuurlijks benadert dat continu in ontwikkeling is. Als gevolg hiervan wordt een compleet andere belevenis van kunst gecreeërd waarin de toeschouwer niet zozeer een afgesloten object beschouwt, maar eerder zelf erdoor wordt omsloten en er onderdeel van wordt. Als gevolg hiervan kun je het kunstobject, volgens Ruskin, dan ook slechts met sympathie en empathie benaderen. Hoe moeilijk en abstract het op het eerste gezicht lijkt, toch beschrijft het een ervaring van kunst die iedereen wel herkent: een verbondenheid met een werk die je niet zozeer kunt benoemen in woorden of beelden, maar die je wel diept raakt.

In de expositie in Rotterdam kan de toeschouwer vervolgens deze kracht van de dingen aan den lijve ervaren. In de klassieke omgeving van het Postgebouw dat een prachtig contrast vormt met de elektronische werken, worden 18 werken geëxposeerd die bevragen hoe mens en ding zich tot elkaar verhouden. Werken als Terrestrial Ball van Kianoosh Motallebi wat een kleine bal is gemaakt van alle 94 natuurlijke elementen die op de planeet aarde te vinden zijn, of Hostage van Frederik de Wilde die met behulp van nanotechnologie het meest duistere kunstwerk ter wereld wist te creëren, roepen weliswaar verwondering en nieuwsgierigheid op, maar zijn te abstract en laten de toeschouwer nog te zeer in zijn passieve rol. Werken die wat beter aansluiten op de dagelijkse belevingswereld van de toeschouwer zijn al wat beter behapbaar. Zo schetst Pigeon d’or van Tuur van Balen in foto’s en een film een nieuwe toekomst waarbij met behulp van synthetische biologie duiven zeep kunnen poepen waardoor de stad van de toekomst er meteen een stuk schoner uitziet. Het hartvormige object van Pulse van Markus Kison verandert van vorm naar gelang de emotionele uitbarstingen op internet blogs.

De ware kracht van de dingen ervaart de toeschouwer pas in werken waarin je je daadwerkelijk moet onderdompelen en die zo geen ruimte laten voor rationele gedachtes of referentiekaders. De wonderschone installatie van Philip Beesley ‘Protocell Field’, vormt een intieme magische omgeving waar de plant/beest- achtige objecten in hun bewegingen en geluiden reageren op de aanwezigheid van de toeschouwers. En 15 Minutes of Biometric Fame van Marnix de Nijs lijkt op het eerste gezicht weliswaar heel herkenbaar doordat het gebruik maakt van gezichtsherkenningssoftware waarmee de bezoekers worden vergeleken met beroemdheden, kunstenaars en pornosterren, maar verwart doordat de installatie op wielen razendsnel op je afvliegt waardoor je je bedreigd en onveilig voelt. In Sealed van Jessica de Boer wordt je als toeschouwer tot slot letterlijk gevraagd je comfortzone te verlaten door een vrieskist in te stappen om zo het langzame thermodynamische wisselwerking tussen een blok zoutkristal van tien kilo en een blok ijs van duizend kilo gade te slaan.

Waar DEAF wellicht een risico nam door abstracte elektronische kunst te benaderen met een filosofische inslag, zorgt de (inter)actieve benadering die je als toeschouwer noodgedwongen moet nemen toch voor genoeg draagvlak om empathie en sympathie te krijgen en zo succesvol je te kunnen overgeven aan de kracht der dingen.

Deze reportage is eerder verschenen op 8Weekly

Leave a Reply