Creativiteit van een stad zit niet in cultuur maar in social design

‘We are at our best and perhaps at our worst in cities’

Met deze prachtige quote opent een artikel van de Britse onderzoeker Charles Leadbeater dat hij geschreven heeft over de Europese hoofdstad van 2012, Guimarães in Portugal. Hij analyseert hier het concept van gastvrijheid als voorwaarde voor een open stedenontwikkeling, iets wat hij als de toekomst voor stedenbeleid ziet.

Leadbeater begint zijn analyse met een levendige beschrijving van de dynamiek die in steden heerst, een wirwar van invloeden die zich in allerlei richtingen beweegt en waar balans slechts een vluchtige status blijkt:

‘Cities are where creativity and culture flourish. They are home to many of our proudest achievements – great libraries and hospitals, schools and parks, art and culture. Cities are synonymous with civilisation, civic governance and progress. The diversity, bustle and trade of civic life makes cities dynamic, surprising and exciting.’

‘But cities are arguably where we are also at our worst. It is in cities that our biggest challenges are to be faced – inequality, poverty, crime, violence, environmental degradation, exploitation, corruption. These all thrive in cities as much as learning and culture. In many modern cities the good and the bad live alongside one another, as neighbours. Cities encourage mass innovation as people learn new habits from one another, observing what their fellow citizens are doing. Everything propagates faster in cities: fashion, ideas, disease.’

Leadbeater stelt daarom dat een stad een ‘levend’ geheel is, iets wat groeit en inkrimpt op onvoorspelbare wijze. Iets wat natuurlijk niet geheel strookt met het veelal statisch opgesteld beleid dat werkt met meerjarenplannen en concreet te bereiken doelen:

 ‘A city that is genuinely alive is never static, it must always be plotting to escape the planners. [..] Creative cities are too large, open and unruly to be regulated in detail, top down by an all-seeing state or experts. They have to encourage collective, voluntary, self-control. A city that could be planned from the centre would also be dead.’

Leadbeater stelt daarom voor om een dosis creativiteit toe te voegen aan stedenbeleid. Niet een geheel nieuw idee. Richard Florida maakte al eerder furore met zijn pleidooi om in stedenkundig beleid te concentreren op ‘the creative class’, kunstenaars, designers, media, die met hun creativiteit op hun beurt weer zouden zorgen voor een aantrekkingskracht op zogenaamde ‘kenniswerkers’ waardoor uiteindelijk een positieve input zou kunnen worden gegeven aan de algehele economie.

Leadbeater noemt dit echter de ‘smalle’ benadering van creativiteit:

‘ This is a narrow account of what it means for a city to be creative: creativity is confined to a narrow group, that works in particular areas of the city, and their creativity is mainly applied to a narrow range of cultural and knowledge intensive business fields.’

Volgens Leadbeater zit creativiteit eerder in een bredere aanpak, die het veld van de cultuur overstijgt en zich in alle lagen van de stad nestelt.

‘That is why cities that aspire to be truly creative, need to combine cultural creativity with a broader agenda for social creativity. Truly creative cities are as creative about transport, housing, energy and waste as they are about culture and the arts. Cities require continual social and political creativity to address the problems that they throw up as they grow, mutate and decline.’

Door de stad als zogenaamd ‘social design’ te bekijken en te kijken hoe verschillende systemen open kunnen worden gegooid, of in Leadbeaters terminologie ‘gastvrijer’ kunnen worden gemaakt, kan een beleid worden gecreëerd dat meer recht doet aan de levende dynamiek van de stad. In plaats van deze krachten proberen te geleiden in vaste patronen en hokjes, moet er met deze krachten worden gewerkt.

Een mooi voorbeeld van een dergelijke aanpak is het designbureau Designing Out Crime van de Nederlandse professor Industrial Design Kees Dorst. Zoals Dorst aan zijn publiek op de conferentie What Design Can Do (2012) uitlegde, gelooft hij dat de kern van goed design erin zit om anders te durven denken over systemen die al jarenlang niet alleen geworteld zijn in de stedelijke omgeving, maar met name ook in het beleid.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=BbuVYnV8x8c[/youtube]

Hij geeft het voorbeeld van een plein in Oxford waar al jarenlang overlast wordt ervaren door dronken mensen tijdens het uitgaan. Dorst zet weet in één enkele zin dit framework echter compleet om te gooien:

‘So there’s the old frame: a lot of drunks, that’s a problem. Here’s a new frame for you: 35 junks together just trying to have a good time…then it’s not a problem anymore, then it’s a music festival.’

Vanuit dit onorthodoxe perspectief van een muziekfestival weet DOC vervolgens een oplossing te designen door bijvoorbeeld bewegwijzering aan te pakken waardoor het uitgaanspubliek makkelijker gebruik kan maken van het gehele plein, in plaats zich te concentreren op één plek en bewijst hiermee dat de mooie woorden van Leadbeater niet slechts in theorie hoeven te blijven bestaan:

‘Cities are experiments in how to live together creatively. To be successful cities need to show that they are open to that question – how should we live together, with one another – and to people who want to devise new answers to it.’

De gehele tekst van Leadbeater kan hier worden gelezen.

Leave a Reply