Tijd als ruimte: architectuur voor de toekomst

Ik ben door het Nijmeegs Ontwerp Platform gevraagd om mee te denken over het thema ‘De ziel van de architectuur’. Een prachtig poëtisch thema, maar ook wellicht problematisch in de huidige tijd. Want ziel, dat impliceert voor mij iets van eeuwigheid, of in elk geval een langere tijdspanne. Iets wat impliciet ook nog steeds verbonden is met onze ideeën over architectuur. Een gebouw als duur project dat veel tijd in beslag neemt, moet wel de tand des tijds kunnen doorstaan. Je ontwerpt niet iets met de verwachting dat dit over pak hem beet vijf à tien jaar vervangen wordt door iets anders. Maar hoe relevant is een dergelijke tijdsspanne nog in een samenleving die leeft op tweetspeed en die dynamischer is dan ooit? In een conversatie over ruimte blijkt tijd een onmisbaar element.

Elisabeth Grosz is hetzelfde van mening in haar interessante boek ‘Architecture from the outside: Essays on virtual and real space’ (2001) waarin ze allerlei ‘partijen’ aan bod laat komen die normaal gesproken in het discours rondom architectuur geen stem hebben:

‘Can architecture construct a better future? How can it do so without access to another notion of time than that of projection and planned development (a time in which the future is fundamentally the same as the past, or increases in some formulaic version of the past)? What could a utopic architecture be, if architecture remains grounded in the spatial alone? […] How can architecture, as the art or science of spatial organization, open itself up to the temporal movements that are somehow still beyond its domain?’

Architectuur bevriest tijd, het vangt de huidige tijdsgeest of juist een hoopvolle utopie in de toekomst. Hoe kun je architectuur ontwerpen voor de toekomst? Veelzeggend is het in elk geval dat utopie, een die onlosmakelijk verbonden is met dit thema een nogal ambigue relatie heeft met architectuur. Als er over utopia wordt gedacht, wordt dit altijd geassocieerd met een plaats:

‘What Plato, More, and virtually every other thinker of utopia share, though the picture each presents of and ideal society fluctuates and varies immensely according to political idealogies, is this: the utopic is always conceived as a space, usually an enclosed and isolated space – the walled city, the isolated land, a politica land agrarian selfcontained organization, and thus a commonwealth’.

Oorspronkelijk een term van de filosoof Thomas More, heeft utopia een associatie met het griekse ‘eutopia’ wat ‘geluk’, ‘goed’ of ‘blijheid’ betekent. Een nastrevenswaardig doel: de ultieme plek. Maar utopia heeft ook nog een andere betekenis. Opgebouwd uit het griekse ‘ou’ wat ‘niet’ betekent en ‘topos’ dat ‘plaats’ inhoudt, draagt het ook de associatie ‘non-plaats’ met zich mee. Iets wat vaak wordt geïnterpreteerd als ‘onbereikbaar ideaal’ maar dat Elisabeth Grosz in haar analyse van een architectuur voor de toekomst verbindt met een visie op architectuur als ambacht van de ruimte dat niet langer meer kan dienen om een architectuur voor de toekomst te ontwerpen:

‘The utopic is beyond a conception of space or place because the utopic, ironically; cannot be regarded as topological at all. It does not conform to a logic of spatiality. [..] Architecture remains out of touch with the fundamental movement of the utopic, the movement to perfection or to the ideal, which is adequately conceivable only in the temporal dimension, and above all-in the temporal modality of the future.’

Wil architectuur dus relevant blijven voor de toekomst moet er een andere plek aan tijd worden gegeven. Architectuur moet weer dynamisch worden, in beweging zijn. Door tijd te incorporeren, kunnen er andere manieren van ontwerpen worden ontsloten. Wat bijvoorbeeld te denken van de organische architectuur van Rachel Armstrong, waar de notie van statische permanentie compleet verlaten wordt voor het concept van architectuur als voortdurend groeiend en zelf-reparerend organisme?

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=nAMrtHC2Ev0[/youtube]

Waar ze in haar TEDtalk deze verrassende vorm van architectuur nader toelicht, zet ze in een artikel voor de nieuwe online denktank over duurzaam ontwerpen, ARUP, haar visie verder uiteen, die nauw blijkt samen te hangen met de incorperatie van tijd in architectuur:

‘Current sustainability narratives avoid dealing with completely new ways of making, and adopt incremental substitutions in practice instead. Consequently the built environment is not designed to accommodate the potential impact of disruptive innovations, since the way we imagine the future is simply a linear extrapolation of the present. Importantly, these new approaches will need to remain open and adaptable to the possibilities of our discoverable future through the development of nurturing infrastructures.’

Architectuur als statische representatie van een ruimte is, zoals stelt Armstrong, een architectuur voor robots, niet voor mensen. Waar mensen leven, zal tijd altijd een factor zijn, met name in de ruimte van de architectuur:

‘If it were possible to make a time-lapse film of the earth we would see that it was constantly moving. Yet when we build, we design as if the world were static. This is because we imagine the world through machines. […]The monoculture of machine-inspired innovation means that we have effectively been building our cities for machines, not humans. People are not machines – we are living systems that radiate into and receive from our environment.’

Leave a Reply