Wij, de webkinderen: deel 2

Gisteren schreef ik over het manifest ‘Wij, kinderen van het netwerk’ waarin de Poolse schrijver Piotr Czerski de nieuwe generatie webkinderen beschrijft: een generatie die is opgegroeid met de continue aanwezigheid van het internet en daar ook haar normen en waarden op afstemt. Te lezen was al hoe het internet als vervanging van traditionele instituten is te komen te dienen bij het creëren van identiteit en hoe de grote hoeveelheid informatie die het internet met zich meebrengt onze manier van kennisgeneratie beïnvloedt.

Persoonlijke waardering ipv copyright

Czerski stelt dat deze ontwikkelingen op individueel vlak ook onze omgang met culturele systemen en instituten beïnvloeden. Zo beschrijft hij dat voor de webkinderen het begrip copyright eigenlijk iets is wat helemaal niet meer ter zake doet:

‘Omdat we onze identiteit bouwen met culturele webartefacten is een vrije toegang ertoe eigelijk iets vanzelfsprekends. We begrijpen dat creativiteit tijd, geld en moeite kost, Maar: Waarom zouden we betalen voor het verspreiden van informatie die ook gemakkelijk en foutloos gekopieerd kan worden, zonder enig kwaliteitsverlies? We zijn bereid om meer te betalen, maar dan verwachten we toegevoegde waarde: een interessante verpakking, een gadget, betere kwaliteit, de mogelijkheid om direct te kunnen kijken zonder eerst op het downloaden van het bestand te moeten wachten. Copyright, of grote bedrijven zijn hiermee dingen geworden die er niet meer toe doen, het is veel persoonlijker geworden.’

Hiermee brengt Czerski een nuancering aan in de kritiek waarmee de webkinderen vaak om de oren worden geslagen: het is niet alsof we niet meer geven om intellectueel eigendom, maar eerder dat het copyrightsysteem niet meer voldoet om het gewenste respect te betonen. Wellicht de bekendste curator van webcontent momenteel, de Roemeense Maria Popova van Brainpickings en Curiousity Counts, heeft dan ook pas geleden een zogenaamde curatorscode opgesteld waarmee je zowel kunt verwijzen naar directe als indirecte bronnen. Popova betoogt dat creativiteit weliswaar iets is dat vrij is, en vrij hoort te zijn omdat je zo op elkaar kunt voortbouwen, maar dat een bepaalde respectbetuiging aan de gianten op wiens schouders je gaat staan er ook bij hoort en pleit daarom voor een zorgvuldige bewuste omgang met bronvermelding. Een andere vorm van respectbetuiging is de vrijwillige donaties die je aan websites kunt overmaken wiens content je apprecieert. Een betaling achteraf als waardering voor de content, dan een betaling vooraf als voorwaarde om de content überhaupt te mogen zien. Persoonlijke waardering in plaats van copyright: iets waar wellicht veel meer vertrouwen en eerlijkheid uitspreekt.

Schakelen tussen snelheden en niveau’s

Czerski ziet nog meer botsingen met bestaande sociale en culturele systemen:

‘Onze kijk op de sociale structuur is anders dan die van jullie: de maatschappij is een netwerk, geen hiërarchie. Wij zijn het gewend om met iedereen een dialoog aan te kunnen gaan, ook een professor of een popster, en we hebben geen kwalificaties nodig die gerelateerd zijn aan sociale status. Het succes van de interactie hangt er alleen maar van af of de inhoud van onze boodschap als interessant en een antwoord waard wordt beoordeeld.’

‘We ervaren geen religieus respect voor de ‘instituten van de democratie’ in hun huidige vorm, we geloven niet in hun axiomatische rol, zoals zij die deze ‘instituten van de democratie’ als een monument op zichzelf en voor zichzelf zien. Wij hebben geen monumenten nodig. Wij hebben een systeem nodig dat voldoet aan onze verwachtingen, een systeem dat transparant en vooruitstrevend is. En we hebben geleerd dat verandering mogelijk is: dat elk oncomfortabel systeem vervangen kan worden door een nieuw, één dat efficiënter is, dat beter past bij onze behoeftes, dat meer mogelijkheden geeft.’

Of deze genoemde horizontaliteit al helemaal is doorgedrongen is natuurlijk de vraag. Zoals blogger Ernst Jan Pfauth in zijn korte bespreking van het manifest aangeeft: ‘De meeste webkinderen beginnen gewoon te gillen als ze een popster zien. De meeste webkinderen interesseert zich helemaal niet voor de overheid, die maken zich meer zorgen om hoeveel views hun YouTube-kanaal heeft.’

Wellicht is eerder juist om te spreken over een golfbeweging, een voortdurend schakelen waarin de webkinderen momenteel zitten. Schakelen van tweetspeed naar een rustig telefoontje met je ouders. Schakelen van een horizontale interactie om een klacht over de slechte bereikbaarheid van een welbekend telecombedrijf direct te richten aan het desbetreffende bedrijf en er meteen flink wat sociale druk achter zetten aangezien je deze klacht via een fijne hashtag ook deelt met vele anderen, naar een verticale interactie bij het aanvragen van je paspoort waar je weer gewoon in het bureaucratische hiërarchische systeem terecht komt.

Hoewel het beeld dat Czerski schetst in zijn manifest overduidelijk wel erg onverdeeld optimistisch is – hij eindigt zijn manifest met de stelling dat het enige wat de webkinderen willen ‘echte, oprechte democratie’ is – staan er mooie observaties en handvaten in om bewust te worden van onze dagelijkse omgang met het internet en deze eens goed te doordenken. Want hoewel Czerski ons als ‘kinderen van het netwerk’ bestempelt, betekent dat niet dat we klakkeloos alles van onze ouders hoeven over te nemen, maar vooral dat er eens een goede pubertijd mag gaan aanbreken waarin nu nog onbewuste normen en waarden tegen het licht worden gehouden, van zowel nieuwe als oude culturele systemen, en er eens goed tegen aan geschopt en geëxperimenteerd mee mag worden.

Lees deel 1 van ‘Wij, de webkinderen’ hier.

2 thoughts on “Wij, de webkinderen: deel 2

  1. Pingback: Curated Culture De webkinderen: onderwijs 2.0.

Leave a Reply