Het jonge Ik

Niets staat zo centraal in de hedendaagse maatschappij als het ik. Huidige generaties worden ervan beschuldigd alleen op zichzelf gericht te zijn, in normen en waarden staat de vrijheid om individu te zijn hoog aan geschreven: we zijn een ego-maatschappij. Waar voor hedendaagse mensen het ik of zelf niet alleen centraal staat, maar ook iets compleet vanzelfsprekends is, is het goed om te beseffen dat dit zelf maar sinds relatief korte tijd bestaat.

Als zelfstandig naamwoord kwam ‘zelf’ (‘self’) in het Engels voor het eerst in een sonnet van Edmund Spenser voor, gepubliceerd in 1595: ‘my self, my inward self I mean’ (‘mijn zelf, mijn innerlijke zelf bedoel ik’ – Amoretti 45). 

Dat betekent overigens niet dat toen het woord pas opkwam:

‘Het woord ‘self’ was al eerder in gebruik, maar dan in wederkerende zin, om een persoonlijk voornaamwoord te versterken (zoals in ‘I did it myself’) of als adjectief (zoals in ‘the self-same thing’, precies hetzelfde ding). Maar als zelfstandig naamwoord werd ‘self’ iets zelfstandigs, een fundamenteel begrip – kortom, een individu.’

In de Middeleeuwen werd de identiteit van een mens namelijk gedefinieerd in relatie tot de gemeenschap en God; identiteit was iets sociaals, niet iets individueels:

‘Het ‘humanisme’ van de zestiende eeuw plaatste het individu op de voorgrond, en wel vanuit een nadrukkelijk seculier perspectief: het theocentrische wereldbeeld van de Middeleeuwen maakte plaats voor een waarin mensen en hun capaciteiten centraal stonden.’

Het is goed om te beseffen dat concepten die mensen fundamenteel definiëren, zelf helemaal niet zo onwrikbaar zijn maar met en door de tijdsgeest anders ingekleurd kunnen worden. Wie weet, kunnen wij met onze technologische tijd waarin alles met elkaar verbonden is wel weer een nieuwe kleur geven aan het zelf: het open relationele ik, waarvan de ander een essentieel onderdeel van het zelf kan zijn in plaats van buitengesloten te worden.

Bron citaten: Laurie Maguire (2007) Shakespeare als therapeut

Leave a Reply